Met eenvoudige interventies misverstanden voorkomen

Tips voor mediation met een partij met (vermoedelijk) autisme

Soms zit je met een cliënt aan tafel waarvan je vermoedt dat hij een vorm van autisme heeft. Hoe ga je daarmee om? En wat ís autisme eigenlijk? Joost van der Waerden, dertig jaar ervaring als psycholoog en mediator, geeft praktische tips. Met eenvoudige interventies kun je de slaagkans van zo’n mediation aanzienlijk vergroten.

praktijk

Door: Joost van der Waerden
Illustratie: Tamar Rubinstein

De meesten van ons denken bij het woord ‘autistisch’ aan personen met ernstige beperkingen (cognitief of fysiek) en excentriek gedrag, al of niet gecombineerd met een opvallend talent. Dat beeld danken we aan de autistische personages uit bekende Hollywoodfilms zoals Rainman en tv-series als The Bridge met detective Saga Norén. Het doet echter geen recht aan de verscheidenheid en gradatie waarin mensen autistische kenmerken kunnen vertonen en in hoeverre dat problemen veroorzaakt. In dit artikel beschrijf ik personen die in vele opzichten volwaardig of zelfs bovengemiddeld functioneren, maar toch door hun specifieke manier van communiceren en afwijkende beleving van situaties vaker dan anderen in een conflict verzeild raken en geen goede coping skills hebben om er weer uit te komen.

Sinds een aantal jaren is de wetenschappelijke consensus dat autisme (of preciezer autismespectrumstoornis, ASS) in de kern een informatieverwerkingsprobleem is. De wijze waarop iemand waarneemt, informatie interpreteert en de snelheid waarmee informatie verwerkt wordt, wijkt bij mensen met autistische kenmerken af van wat voor anderen vanzelfsprekend is. Mensen met dit probleem moeten harder werken om de wereld, en meer in het bijzonder de mensen om hen heen, te begrijpen en volwaardige relaties op te bouwen.


Ik geef hier een beschrijving van specifieke autistische kenmerken en hoe deze zich manifesteren op verschillende levensgebieden. Omwille van leesbaarheid en bondigheid beperk ik mij tot een algemene opsomming. Het is binnen het bestek van dit artikel niet mogelijk recht te doen aan de grote variatie waarmee autistische kenmerken zich bij individuele mensen voordoen en de mate waarin dit hun kwaliteit van leven beïnvloedt.


Autistische kenmerken

De mensen die mij voor ogen staan hebben geen verstandelijke beperkingen. Integendeel, vaak is sprake van een bovengemiddelde intelligentie. Wel tonen zij beperkingen in sociale interacties, in hun empathisch vermogen en in de kwaliteit en reikwijdte van hun interesses en activiteiten. Hun waarneming en denken zijn meer dan bij anderen gericht op details en het herkennen van patronen. In hun gezichtsexpressie en lichaamstaal is vaak sprake van een zekere gevoelsvlakheid. Ze hechten sterk aan routines in hun leven. Hun waarneming is selectief of gefragmenteerd, hun informatieverwerking anders en hun interpretatie niet adequaat. Dat leidt in veel sociale situaties tot misverstanden en fricties.

Mensen die met dit probleem behept zijn leren van jongs af aan goed op te letten op ‘wat de regels zijn’ en het sociale gedrag van anderen te imiteren. Daardoor kunnen ze zich in het contact met anderen staande houden en collegiale en vriendschapsrelaties hebben.

Ze zijn slim genoeg om in opleiding en beroepsuit­oefening competenties op te bouwen voor een succesvolle carrière. Opvallend is dat zij een voorkeur hebben voor technische, kwantificerende en analytische of systeemgerichte beroepen (Roelfsema e.a. 2011).

Zo lang het leven met de anderen zich binnen conventies, met goed afgestemde verwachtingen en voorspelbaarheid voltrekt, kunnen zij zich competent, gewaardeerd en bemind voelen. Omgekeerd zullen zij door anderen gezien worden als betrouwbare, fatsoenlijke en toegewijde vrienden, collega’s of levenspartners. Hun vriendschappen zijn vaak gebaseerd op gelijke interesses en hun bereidheid zich praktisch in te zetten (wielerclub, zeiltochtje, chauffeur voor het elftal, etc.).

In een leven dat zich op deze wijze laat organiseren, blijft het daaronder schuilgaande autismeprobleem grotendeels onzichtbaar voor anderen maar vaak ook voor henzelf.

Het ontstaan van conflicten

Problemen in communicatie treden op als bijvoorbeeld in het werk of in de partnerrelatie sprake is van een grote verandering of onzekerheid, onduidelijke verwachtingen of dubbelzinnigheid, of een te groot appel op het empathisch vermogen. Op het werk wordt iemand bijvoorbeeld met een reorganisatie of een functiewijziging geconfronteerd, met als gevolg andere werkwijzen en samenwerkingsrelaties. Of in een huwelijk wordt een kinderwens vervuld en komen drie kinderen in rappe successie, met een grote impact op de intimiteit en het levensritme van de partners.

Onze maatschappij vraagt in toenemende mate om flexibiliteit, aanpassingsvermogen en sociale vaardigheden. Dat maakt het juist voor mensen met autistische trekken moeilijker om een volwaardig leven te leiden. Wanneer de routine losgelaten moet worden, conventies niet langer van toepassing zijn of verwachtingen niet goed afgestemd, verliezen deze mensen hun onmisbare houvast. Hun verstandhouding met de wereld en de anderen wordt op losse schroeven gezet en hun communicatieve vaardigheden blijken ontoereikend om zaken met elkaar uit te spreken, de relatie te behouden en aldus een nieuw houvast te creëren. Dat leidt tot angstige onzekerheid die zich kan uiten in dwangmatigheid en woedeaanvallen. Collega’s en partners hebben vaak geen zicht op hun onvermogen om deze situaties het hoofd te bieden. Ze interpreteren hun uitlatingen en gedragingen snel als drammerigheid, onwil, gebrek aan belangstelling of onverschilligheid. Omgekeerd voelen deze mensen zich bedreigd en onbegrepen in hun pogingen om houvast en voorspelbaarheid te vinden. Pogingen tot gesprek mislukken, misverstanden en incidenten stapelen zich op en een conflict is geboren.

Een volwaardig leven leiden is voor mensen met autistische trekken moeilijker in onze maatschappij die vraagt om flexibiliteit, aanpassings­vermogen en sociale vaardigheden

Een voorbeeld van familiemediation

Erwin en zijn echtgenote melden zich voor bemiddeling bij het opstellen van een ouderschapsplan. Zij wil na een huwelijk van vijftien jaar scheiden. Na drie maanden vol escalerende ruzies heeft Erwin zich daarbij neergelegd. Hij heeft de echtelijke woning inmiddels verlaten. Het paar heeft twee dochters van dertien en elf jaar. Erwin heeft een succesvolle tandartspraktijk waarin hij het technische werk doet en zijn echtgenote de zakelijke kant en de klantencontacten voor haar rekening neemt.

Hij heeft snel een nieuwe woning in hetzelfde dorp gevonden. Het contact met zijn dochters gaat echter zo moeizaam dat er sinds enkele weken hooguit nog sporadisch geappt wordt en hij hen alleen ziet langs het hockeyveld. Hij wil graag co-ouderschap, zijn (ex-)vrouw denkt dat dat niet gaat lukken. Ze pleit ervoor om het contact geleidelijk op te bouwen en pas na voldoende tijd een definitieve beslissing te nemen over de zorgverdeling. Het wordt duidelijk dat Erwin moeite heeft om de zorg voor de kinderen in goede banen te leiden. Hij heeft strikte ideeën over hoe hun tijd samen wordt doorgebracht en krijgt bij elk contact ‘ordeproblemen’. Zijn dochters luisteren niet naar hem. Als hij met straf dreigt escaleert het in wederzijds geschreeuw, uitmondend in opsluiten of weglopen. Hij zegt ‘knettergek’ te worden van het gedrag van de meisjes en heeft enkele keren een woede-uitbarsting gehad. Hij wijt dat aan gebrek aan steun van hun moeder. Zij zou net als hij consequenter en strakker in haar aanpak moeten zijn. Naar mij als mediator stelt hij zich correct op. Hij heeft een verzorgd taalgebruik en toereikende woordenschat, maar moet vaak zoeken naar de juiste woorden. Als ik een metafoor gebruik, vraagt hij ‘wat dat ermee te maken heeft’. Zijn (ex-)vrouw lijkt vertrouwd met zijn gedrag.

De aard van hun ouderschapsconflict zal elke scheidingsmediator herkennen. Daarin verschilt dit koppel niet van vele anderen. In de loop van de gesprekken valt echter een aantal aspecten op in de houding van Erwin, in zijn beleving van het conflict en in de wijze waarop hij communiceert:


  • Hij heeft een rigide lichaamshouding en beweegt alleen als hij geïrriteerd raakt en onrustig wordt
  • Hij maakt zeer beperkt oogcontact, zowel bij luisteren als bij spreken.
  • Afgezien van zijn af en toe opflakkerende irritatie als hij zich niet begrepen voelt, toont hij weinig emotie. Hij heeft grote moeite zijn gevoelens over de scheiding en de situatie met de kinderen te verwoorden.
  • Hij toont weinig empathie en vraagt niet om verduidelijking van de ander; met zijn ex- vrouw, maar ook met mij als mediator ontstaan er voortdurend misverstanden, die om opheldering vragen.
  • Hij is gepreoccupeerd met details en volledigheid.
  • Hij herkent metaforen en ironie in de communicatie niet.
  • Hij heeft een goed ontwikkeld normbesef, maar toont grote rigiditeit (zwart/wit) in de toepassing daarvan. Hij weet ‘hoe het hoort’ en is onaangenaam verrast als de ander daar niet in meegaat.
  • Hij lijkt zijn leven snel gereorganiseerd te hebben (nieuwe woning, nieuwe vriendin, werkroutine en hobby’s hervat).
  • Hij lijdt extreem aan de onzekerheid en onder de onvoorspelbaarheid van zijn gezinssituatie en wil koste wat koste snel duidelijkheid hebben. Het is het laatste puzzelstukje in zijn nieuwe leven.
  • Zijn irritaties en woede-uitbarstingen lijken eerder het gevolg van stress of onmacht dan van agressie.


In zijn poging grip te krijgen op de situatie wordt hij ongeduldig en dwingend. Elke mediator weet dat hij mensen aantreft op een slecht moment in hun leven. Hun soms extreme of irrationele gedrag kan meestal begrepen worden als een symptoom van de crisis die het conflict voor hen betekent. Dit lijkt bij deze cliënt niet zo te zijn. Hijzelf maar ook zijn (ex-)partner is vertrouwd met zijn houding en manier van communiceren. Zijn gedrag blijft hetzelfde in de opeenvolgende mediationgesprekken. Met mij als mediator communiceert hij op dezelfde manier als met zijn (ex-)partner.

Deze laatste observaties, gevoegd bij de opsomming hiervoor, deden vermoeden dat er mogelijk sprake was van een vorm van autisme bij een bovengemiddelde begaafd individu.

Op basis van deze veronderstelling ging ik als mediator andere accenten leggen. Om tegemoet te komen aan zijn grote behoefte aan regelmaat en voorspelbaarheid gaf ik veel meer aandacht aan de structuur van de mediation. Voorafgaand, tijdens en na elk gesprek verduidelijkte ik waar we ons in het mediationproces bevonden. De gesprekken duurden slechts één uur en kenden een vaste opbouw. De bewoordingen van de samenvatting aan het eind van elk gesprek kwamen een-op-een terug in de verslaglegging. Het verslag werd hen toegezonden op de afgesproken datum. Ik vermeed het gebruik van metaforen en ander beeldend taalgebruik. Ik gebruikte zo min mogelijk samengestelde zinnen, en probeerde inleidingen en samenvattingen bondig te houden. Tijdens de gesprekken toetste ik telkens of beiden zich begrepen voelden door de ander en door mij. Door deze aanpak waren er minder misverstanden en er kwam een zekere rust, vooral bij Erwin.

Nu hij minder gespannen was, kon hij erkennen dat hij problemen had met de zorg voor de kinderen. Hij ervoer de adviezen van hun moeder echter als betuttelend. Ik stelde voor om voor de komende drie maanden een gedetailleerd omgangsplan te maken met een concreet opbouwschema. Er zou tweewekelijks contact zijn om de voortgang te evalueren. Verder nodigde ik Erwin uit om contact op te nemen met een ervaren collega/pedagoog om van haar tips te krijgen over de omgang met puberende dochters. Deze zou ook een keer met de meisjes praten om te horen wat hen dwars zat. Ten slotte kon ik hem complimenteren met de zorgvuldige en faire wijze waarmee hij de financiële aspecten van de echtscheiding wilde regelen. Dit werd onderschreven door zijn ex.

Hij miste het inlevingsvermogen en de flexibiliteit om goed om te gaan met de veranderde situatie

De positieve kant gebruiken

Dit voorbeeld laat zien hoe eenvoudige interventies de slaagkans van een mediation met mensen zoals Erwin aanzienlijk kunnen vergroten. Een belangrijk aandachtspunt bij een dergelijk aanpak is het commitment van de conflictpartner. Erwins’ ex-echtgenote had in haar huwelijk jarenlange ervaring met haar partner opgedaan. Ze wilde maar wat graag weg uit de ruziesfeer waarin de gesprekken met hem over hun kinderen verliepen. Zonder dat het woord autisme viel ging ze mee in mijn voorstellen, alhoewel de nogal formele gespreksvorm voor haarzelf onnatuurlijk voelde.

In mijn ervaring als mediator zijn de conflictpartners vrijwel altijd bereid in zo’n werkwijze mee te gaan omdat ze al snel merken dat daardoor de gesprekken constructiever verlopen. Het helpt ook als de mediator waardering toont voor hun consideratie.

Een tweede aandachtspunt is dat in het individuele profiel van een persoon met autistische kenmerken naast beperkingen vrijwel altijd positieve eigenschappen en kwaliteiten te vinden zijn. Mensen zoals Erwin hebben zelden een dubbele agenda in de mediation. Ze zijn transparant in hun overtuigingen en bedoelingen en gaan mee in de spelregels van goed onderhandelen als die duidelijk uitgelegd en gehanteerd worden. Hun hang naar systematiek en oog voor detail zorgt er ten slotte voor dat zij bovengemiddelde vaardigheden hebben in het samenstellen van financiële overzichten, activiteitenplanningen en allerlei schema’s die behulpzaam kunnen zijn bij het analyseren van problemen en het uitonderhandelen van een overeenkomst. Dat talent kan benut worden.

Er is ook een valkuil waar een mediator voor op zijn hoede moet zijn. Omdat deze mensen slecht onzekerheid kunnen verdragen en vaak snel ‘oplossingen’ zien, bestaat het risico dat ze teveel haast maken en hun conflictpartners al vroeg in de bemiddeling overvallen met hun kant-en-klare voorstellen. Wanneer de ander daar dan niet in meegaat, voelen zij zich miskend in hun intenties en gespannen over de voortdurende onzekerheid. Het is daarom belangrijk om de werkwijze, de volgorde en de timing in een bemiddeling goed uit te leggen en daaraan vast te houden.

Tips voor mediation met een partij met (vermoedelijk) autisme:

De mediator legt in deze gevallen in houding en gedrag de nadruk op:

  • aanbieden en handhaven van een duidelijke structuur;
  • betrouwbaar en voorspelbaar zijn in afspraken en werkwijze;
  • voortdurend toetsen en verduidelijken van emotie en beleving bij beiden;
  • beperkte gespreksduur, en tijdig signaleren van oplopende stress en uitputting;
  • concreet, eenduidig taalgebruik en het vermijden van metaforen, taalgrappen en ironie;
  • beperkingen respecteren en sterke kanten benutten;
  • aandacht en waardering voor het commitment van de conflictpartner.

Zoals u ziet, niet bepaald rocket science. De meeste van deze aandachtspunten zijn immers relevant in elke mediation. Bij mensen met een vorm van autisme zijn ze echter onmisbare voorwaarden voor een succesvolle mediation. En mocht u zich onzeker voelen over uw vermoeden van autisme, dan kunt u altijd te rade gaan bij iemand met meer klinische deskundigheid.

Hij miste het inlevingsvermogen en de flexibiliteit om goed om te gaan met de veranderde situatie

Een voorbeeld van arbeidsmediation

Jeroen is sinds vijf jaar werkzaam bij een middelgroot ICT-bedrijf. Hij heeft zich bewezen als een deskundig en hardwerkend ICT-specialist. Hij wordt met name gewaardeerd voor de precisie en vasthoudendheid waarmee hij in de laatste fase van een project de resterende bugs uit software weet te halen; een nogal saai, repetitief karwei waaraan de meeste collega’s een hekel hebben. Vorig jaar werd hij voor het eerst gevraagd om zelf projectleider te zijn. Deze promotiekans greep hij aan: hij maakte een uitgebreid projectplan, waarvoor hij werd geprezen door de opdrachtgever. Het project verliep voorspoedig totdat er in het bedrijf van de opdrachtgever werd gereorganiseerd. Zijn nieuwe aanspreekpunt in de directie bleek er andere ideeën over het project op na te houden. Na een paar aanvaringen over de richting en de voortgang van het project deed de opdrachtgever zijn beklag bij Jeroens’ chef: hij wilde een andere projectleider of hij zou alles afblazen. Jeroen werd op het matje geroepen bij zijn baas. Deze prees zijn inzet, maar verweet hem gebrek aan flexibiliteit en te weinig begrip voor bedrijfspolitiek. Hij haalde hem van het project af en liet hem voorlopig een paar interne klusjes doen. Na een week meldde Jeroen zich ziek. De bedrijfsarts sprak van stressklachten en verstoorde werkverhoudingen. Een eerste overleg met zijn chef eindigde ermee dat hij een prullenbak omver schopte en briesend de deur uit liep. Op advies van de bedrijfsarts werd er een mediator bijgehaald.

Bij kennismaking maakt Jeroen een vermoeide indruk. Hij voelt zich respectloos behandeld door de opdrachtgever en door zijn chef. Hij vindt de verwijten aan zijn adres onzin. Hij heeft zich aan de afspraken gehouden en keihard gewerkt. De anderen spelen kwalijke spelletjes. Zijn kans op promotie is verkeken. Hij maakt weinig oogcontact. Vaak moet hij zoeken naar woorden. Hij beweegt nauwelijks. ‘Ze moeten me maar nemen zoals ik ben’, zegt hij. Als ik hem vraag hoe hij de toekomst ziet begint hij te huilen. Hij wil niet weg bij dit bedrijf, maar na alles wat er gebeurd is kan hij toch niet blijven? Zijn chef roemt Jeroen als een van zijn beste medewerkers. Hij heeft het fiasco in dit project totaal niet zien aankomen. Jeroens’ woede-uitbarsting overviel hem. Hij wil hem graag voor het bedrijf behouden.

Ik zag dat Jeroen niet kon omgaan met de onverwachte wending in zijn project. Door de verlokking van het projectleiderschap en een verandering in de politieke wind bij de opdrachtgever ontstond er een mismatch, waarin hij vastliep. Hij miste het inlevingsvermogen en de flexibiliteit om goed om te gaan met de veranderde situatie. Sterke kanten als deskundigheid en betrouwbaarheid werden irrelevant. De stress liep hoog op en er was sprake van een verstoorde communicatie.

Als mediator kon ik volstaan met één gezamenlijk gesprek met Jeroen en zijn chef waarin beiden zich gehoord en begrepen konden voelen over hoe erg ze het vonden dat het zo gelopen was, zonder in verwijten te schieten naar de ander. Jeroens’ leidinggevende bevestigde nog een keer dat hij hem graag wilde behouden voor het bedrijf. Met mijn steun kon Jeroen rustig uitleggen hoe hij tegen zijn werk aankijkt en hoe hij het liefst werkt. Dat gaf zijn chef een beter inzicht in zijn functioneren. Hij zag nieuwe aangrijpingspunten voor zijn omgang met hem. Ze gaan praten over zijn inzet op nieuwe projecten. Met name zijn debugging-talent zal vaker benut worden. Beiden nemen de uitnodiging aan om na een maand met elkaar te bekijken wat er van de voornemens en afspraken gerealiseerd is.

Ook in deze mediation viel het woord autisme niet. Een ongevraagde diagnose zou niet alleen onverantwoord zijn maar ook stigmatiserend kunnen werken. Belangrijker was het inzicht bij beiden dat Jeroen overvraagd werd op zijn beperkingen, terwijl zijn grote kwaliteiten niet benut werden.

Autismespectrumstoornis

De klinische term autisme werd voor het eerst gebruikt door Leo Kanner (1943). Sindsdien hebben de definitie en de terminologie een grote ontwikkeling doorgemaakt. In de laatste versie van de standaard voor de classificatie van psychische stoornissen, DSM-V, spreekt men over de Autisme Spectrum Stoornis (ASS) met als kenmerken: problemen met de wederkerigheid in sociale interacties en communicatie, en beperkingen in gedragspatronen, interesses en activiteiten. Onder de noemer ASS worden begrepen: de autistische stoornis, het Asperger syndroom en de pervasieve ontwikkelingsstoornis niet anderszins omschreven (PDD-NOS). ASS wordt voor 85 tot 90 procent in verband gebracht met (epi)genetische factoren. Uit onder andere tweeling­onderzoeken blijkt dat erfelijkheid daarin een grote rol speelt (Ronald e.a. 2010). Mensen met ASS lopen een vergroot risico op andere stoornissen: depressie, angststoornissen, ADHD, slaapproblemen en motorische beperkingen.

Bij veertig tot zestig procent van hen is sprake van een verstandelijke beperking. ASS komt bij circa een procent van de bevolking voor (NVvP/NIP 2013). De diagnose ASS wordt veel vaker bij jongens en mannen dan bij meisjes en vrouwen gesteld (ratio 4:1). Er zijn aanwijzingen dat ASS bij meisjes wordt ondergediagnosticeerd, dat wil zeggen dat het niet of pas later in hun leven onderkend wordt, of dat veeleer een andere diagnose gesteld wordt, bijvoorbeeld een depressie of angststoornis (In ’t Velt 2008 en Duvekot 2018). Of iemand met de genoemde kenmerken de diagnose ASS krijgt hangt af hoe ernstig ze zijn en in welke mate ze het leven van die persoon negatief beïnvloeden. Bovendien is er een grote variatie in individuele profielen. De Gezondheidsraad (2009) schrijft in dat verband: ‘Met enige overdrijving kan gezegd worden dat er bijna evenveel vormen van autisme bestaan als mensen die het hebben.’

De mensen waar dit artikel over gaat variëren in de mate waarin ze autistische kenmerken hebben, maar hebben gemeenschappelijk dat zij dankzij hun bovengemiddelde intelligentie hun beperkingen voor het grootste deel kunnen compenseren. Die succesvolle compensatie zorgt ervoor dat zij vaak niet gediagnosticeerd worden met ASS. Voor zover dat wel gebeurt, luidt de diagnose meestal hoog functionerend autisme of Asperger syndroom (Baron-Cohen 2008).

Een hypothese van autisme om daar in houding en gedrag rekening mee te houden is voldoende

Diagnose of vermoeden?

Als bij aanvang van een mediation één betrokkene meldt dat bij hem de diagnose ASS of Aspergersyndroom is gesteld (zie hiernaast), dan kan de mediator samen met de conflictpartners uitzoeken welke relevantie dat heeft voor het beloop van de mediation. Vaak kan de betrokkene zelf duidelijk aangeven wat hem goed of slecht afgaat. Er kunnen afspraken worden gemaakt over snelle signalering als er wat dreigt mis te gaan. Als de andere conflictpartner zich daarin kan vinden, kan men aan de slag. In de twee hier besproken cases zijn de conflictpartners zich er niet van bewust dat een vorm van autisme bij een van hen mogelijk een rol speelt in het ontstaan van het conflict, laat staan in de oplossing ervan. Het vermoeden van autisme kwam bij mij op door de informatie die op tafel kwam en door mijn eigen indrukken en observaties.

Als gezegd, de mediator wordt niet om een diagnose gevraagd. De doelstelling en de context van een mediation zijn immers anders dan die van hulpverlening. Een mediator zal in de meeste gevallen ook niet beschikken over specifieke psychodiagnostische of medische deskundigheid. Dat is ook niet nodig. Het is voldoende om een hypothese te hebben dat er sprake zou kunnen zijn van een of andere vorm van autisme om daar in houding en gedrag rekening mee te houden. Als dat met respect gebeurt en positief uitwerkt in de mediation zal noch de betrokkene noch zijn conflictpartner daar bezwaar tegen maken.

Literatuur

  • American Psychiatric Association, Handboek voor de classificatie van psychische stoornissen (DSM-V), Amsterdam: Uitgeverij Boom 2014.
  • S. Baron-Cohen, Autism and Asperger Syndrome: The Facts, Oxford: Oxford Press 2008.
  • J. Duvekot, The many faces of autism (thesis), Rotterdam: Erasmus Universiteit Rotterdam 2018. Gezondheidsraad, Autismespectrumstoornissen: een leven lang anders, Den Haag: Gezondheidsraad 2009, publicatienr. 2009/09. Te downloaden via www.gr.nl.
  • L. Kanner, ‘Autistic Disturbances of Affective Contact’, Nervous Child 1943, nr. 2.
  • NVvP/NIP, Multi-disciplinaire richtlijn autisme spectrum stoornis, Utrecht: De Tijdstroom 2013.
  • M.T. Roelfsema e.a., ‘Are autism spectrum condi­tions more prevalent in an information-technology region? A school-based study of three regions in the Netherlands’, Journal of Autism and Developmental Disorders 2012, nr. 5.
  • A. Ronald & R.A. Hoekstra, ‘Autism Spectrum Disorder and Autistic Traits: A Decade of Twin Studies’, American Journal of Medical Genetics 2011, nr. 3.
  • A. in ’t Velt e.a., ‘Normaal tot hoogbegaafde vrouwen met een autisme spectrum stoornis’, Wetenschappelijk Tijdschrift Autisme 2008, nr. 3.

Joost van der Waerden is GZ-psycholoog en mediator.