George Smits:

‘Mediation is eigenlijk gedragstherapie’

Mediator en psycholoog George Smits is ‘de man van de emotie­thermometer’ en de geestelijk vader van de theorie van zeilen op zee (zie kaders). Een gesprek over het grensvlak tussen mediation en therapie en hoe hij in zijn dagelijks werk beide combineert. En over zijn denkbeelden over emotiemanagement, systeemdenken en interveniëren als psycholoog en mediator in wat Smits noemt: ‘zieke systemen’.

interview

Door Henneke Brink en Janny Dierx
Illustraties: Monique Neven-Stillebroer

Wij denken dat bijna iedere mediator jouw emotiethermometer kent. De vraag ‘hoe boos was je op een schaal van 0 tot 10’, met vervolgens een uitleg over het limbisch systeem en de cortex, kan in mijn ervaring heel verhelderend werken. In de praktijk komen partijen daar vaak later ongevraagd op terug.

Dat is mooi. Het gaat erom dat de emotiethermometer wordt gebruikt. Het is een instrument dat komt uit de gedragstherapie waar ik zelf de theorie van het limbische systeem en de cortex aan heb toegevoegd. Tenminste, dat geloof ik. Soms weet je niet meer of je het zelf hebt bedacht.

Als mensen de intensiteit van hun emotie hoger scoren dan 5, dan is dat limbisch. Veel conflicten komen voort uit iets dat vroeger is gebeurd, oude pijn die in het limbische systeem zit. Een conflict kan zo al veel langer sluimeren en eigenlijk zijn oorsprong vinden in de jeugd. Het is dus maar de vraag of de ruzie die ik met mijn vrouw heb een causaal verband heeft met iets dat nu speelt, of eigenlijk al ontstaan is in het verleden.

Ook bij een nalatenschapsmediation zit de oorzaak van het probleem vaak in wat de ouders niet handig hebben gedaan. Ik zeg altijd ‘de oorzaak’, nooit ‘de schuld’. Er is een groot verschil tussen die twee begrippen.


Wat betekent dat voor het hanteren van het conflict?

Het zou fijn zijn als mensen kunnen zien dat het conflict dat ze hebben en als heftig ervaren, uiteindelijk misschien helemaal niet zo ernstig is.


Het gaat dus om het duiden van het conflict? Eerst het conflict goed duiden om er vervolgens goed mee om te kunnen gaan?

Ja, en daar ligt een verschil tussen therapie en mediation. Als mensen voor therapie komen zeggen ze: ik heb een probleem dat niet goed te begrijpen is vanuit het nu. Kan ik leren waar het vandaan komt, en hoe ik ervan af kan komen? In mediation is de vraag waarmee partijen komen doorgaans niet: waar komt dit conflict vandaan? Maar: hoe lossen we het op?


U heeft vast voorbeelden uit de praktijk waardoor u dat denkt.

Bijvoorbeeld bij vechtscheidingen komt dit goed naar voren. Dan probeer ik mensen duidelijk te maken dat de heftigheid die zij ervaren te maken heeft met andere dingen. Dat doe ik door de theorie van het limbische systeem en de cortex uit te leggen, en soms door iemand te vragen: is dit een patroon dat je vaker hebt beleefd, los van deze partner? Als dat aan de orde is zou je dat in een apart gesprek moeten exploreren. En dan rijst natuurlijk de vraag: waar is het nog mediation en waar wordt het therapie? En dan zijn ook de juridische aspecten van belang.


Kunt u iets meer vertellen over dat grensvlak tussen mediation en therapie?

Samen met advocaat Bart Prinsen geef ik colleges aan de Universiteit van Tilburg, in het vak ondernemingsrechtelijke geschillenoplossing. Bart geeft recht, ik praat over psychologie en systemen. In de colleges spelen we vaak een rechtszaak na, bijvoorbeeld met twee broers, compagnons in een familiebedrijf, die ruzie hebben. Als het juridische geschil is opgelost vragen we aan de studenten: is het probleem nu opgelost? Iedereen zegt dan ‘ja’. Maar als we vragen: waardoor komt het nou dat de broers ruzie hebben, dan zie je dat je daar in een juridische casus niet achter komt. Ons devies: exploreer eens wat verder, over waar het precies over gaat!

De onderstroom en de bovenstroom moeten dezelfde kant op staan om in gesprek tot een gezamenlijke oplossing te komen

Bart en ik werken aan de zogenaamde DACCC-methode. Dat staat voor duurzame adequate conflictvoorkoming, -beheersing en -oplossing.1 Deze methode helpt te onderzoeken waar een conflict werkelijk over gaat en wat voor interventies mogelijk zijn. Je kunt dan aan partijen vragen: zijn jullie bereid daarop te exploreren om zo het probleem op te lossen, zowel op de bovenstroom als op de onderstroom, of om duidelijk te krijgen dat het eigenlijk om een onderstroomprobleem gaat dat is ‘gejuridiseerd’?

De vraag die je kunt stellen: is mediation niet een cursus gedrags-en emotieverandering? Ik denk dat dat zo is. Iets wat ik vaak zie is dat mensen die door een bepaalde manier van doen in de problemen zijn gekomen, die problemen weer op diezelfde manier willen oplossen. Dat kan niet. Als partijen elkaar altijd slaan, dan moeten zij eerst leren dat slaan geen effectieve methode is om het probleem te onderzoeken en op te lossen. Daar zit vaak ook de weerstand. Mensen komen niet binnen om te veranderen. Ze willen het conflict oplossen. Of met name: Marie vindt dat Jan wel moet veranderen, maar zijzelf niet.


Als mediation eigenlijk een cursus gedragsverandering is, is het dan in feite niet gedragstherapie?

Iets vergelijkbaars doet zich voor bij huiselijk geweld. Als de een de ander heeft geslagen is de klap niet het meest relevant voor de diagnose van het probleem. Het gaat om wat er daarvoor is gebeurd.

Je zou ook kunnen vragen: welke stimulus maakt nou dat de een gaat slaan of de ander geslagen wordt? Want het mooiste is natuurlijk, ook in mediation, om alles als een systeem te zien. Het is niet zo eenvoudig als: degene die slaat is de dader, degene die geslagen wordt is het slachtoffer. Maar het gaat om wat bekend staat als de reddersdriehoek, en wat ik liever ‘de neurotische triade’ noem. Het is de driehoek van slachtoffer, redder en aanklager. De neurotische triade is een ziek systeem. Het maakt niet uit welke rol je vervult in die driehoek, of je geslagen wordt of niet, want die driehoek is gewoon niet goed.

Feitelijk is iedereen dysfunctioneel op dat moment – hoewel het natuurlijk erger is als je iemand slaat. Je biedt ook een beetje therapie door te laten zien hoe het systeem eruit ziet. En dan zijn er twee mogelijkheden om de relatie te veranderen: óf je stapt uit het systeem, óf je stapt uit de relatie.


Hoe belangrijk is het dat mediators zich deze materie eigen maken voordat ze die therapeutische interventies toepassen?

Je kunt als mediator kiezen waar je je in bekwaamt. Ook als je jurist bent kun je zeggen: ik wil eigenlijk meer weten over hoe stromingen in elkaar zitten, hoe dat werkt met die emoties, en welke interventies ik kan doen zonder dat het direct een intensieve therapie is.


Denkt u dat een mediator die psychologische kennis nodig heeft om effectief te zijn?

Ja, volgens mij maakt het je werk gemakkelijker, en ook leuker. Ik denk dat je in mediation feitelijk gedragstherapeutische en cognitieve interventies doet, daar valt eigenlijk niet aan te ontkomen. Alleen heet het mediation en niet therapie. Je kunt je ook afvragen: als mediation eigenlijk een cursus gedragsverandering is, is het dan in feite niet gedragstherapie? En je moet wel voelen waar de grens ligt.


Soms, bijvoorbeeld als er heftige emotionele problemen spelen, zeg ik tegen mijn klanten: zullen we het geen mediation noemen maar bemiddeling? Want als het bemiddeling is mogen jullie mij ook vragen wat zou kunnen helpen. Als het bij mediation blijft is er juridisch een andere context en is er minder ruimte voor advies. Alex Brennink­meijer heeft eens geopperd: misschien moeten we iets gewoon ‘mediation light’ noemen, om ook andere interventies mogelijk te maken.


Zeilen op zee, onderstroom en bovenstroom

George Smits ziet emotiemanagement als zeilen op zee: de wind kan noordwaarts in de zeilen blazen, maar als de stroming zuidwaarts staat schiet het geen meter op.


De niet direct zichtbare stroming van de zee staat in deze vergelijking voor de emoties. Dit noemt Smits ‘de onderstroom’. Deze wordt gereguleerd door het limbisch systeem. Dit is evolutionair gezien het oudste deel van de hersenen waar indrukwekkende ervaringen worden opgeslagen en emoties hun basis hebben. Het limbisch systeem beoordeelt of en hoe stimuli – externe of interne prikkels – resoneren met ervaringen uit het verleden, en zet vervolgens aan tot een bijpassende, geautomatiseerde emotie. Echter, die emotie kan ongepast zijn in het heden, en dat kan leiden tot problemen.


De wind die zichtbaar de zeilen bolt staat in de vergelijking voor het rationele en feitelijke, zoals de gemaakte afspraken, gestelde doelen en procedures. Dit noemt Smits ‘de bovenstroom’. Hier heeft de cortex de overhand: de schors van de grote hersenen. De cortex reguleert het denken, het probleemoplossend vermogen en creativiteit.


De vergelijking leert: de onderstroom en de bovenstroom moeten dezelfde kant op staan om in gesprek tot een gezamenlijke oplossing te komen.

In caucus is er wel ruimte voor advies. Gebruikt u die mogelijkheid?

Zeker! Caucus gebruik ik veel om mensen te leren het ‘anders’ te zeggen. Soms is het prettig om die boodschap over te brengen waar de andere partij niet bij is, om gezichtsverlies te voorkomen of wat dan ook. In caucus oefen ik ook wel eens: wat is het effect als je het zo zegt? Hoe zou je het ook anders kunnen zeggen? Of ik gebruik bijvoorbeeld gedrag modelling. Dan doe ik voor hoe je iets netjes kunt doen. Eigenlijk zijn dit oefenen en modelling gedragstherapeutische interventies. Als die partij vervolgens in de gezamenlijke sessie komt met zijn oude pijn, zoals geoefend in de caucus, dan is mijn ervaring dat de andere partij dat herkent en blij is dat het nu eens op tafel komt.


In mediation is uitleggen, de didactiek, essentieel. Ik leg tegenwoordig altijd de stappen uit van het belangengerichte Harvard-onderhandelingsmodel. Ik zeg dan: in dat patroon gaan wij het probleem oplossen. Het Harvardpatroon is eigenlijk al een soort geprotocolleerd model dat je helpt om op een adequate manier naar belangen te kijken en uit het conflict te blijven. Het is goed als partijen dat later zelf ook kunnen toepassen.


Als mediation een gedragstherapeutische en cognitieve interventie is, kloppen onze MfN-regels dan nog wel?

Dat vind ik een hele goede vraag. Daarom spreek ik vaak van bemiddelen en maak ik soms een ander soort contract, met andere afspraken.

Per mediation evalueer je. Wat werkte en wat werkte niet? Overigens kijken we altijd naar wat er niet goed ging en vragen we ons te weinig af: wat ging er goed? Want daar leer je ook heel veel van! Eigenlijk zou je kunnen zeggen dat je zo evolueert in mediation.


Je kunt je afvragen of de regelgeving en richtlijnen voor mediation niet mee moeten veranderen. Moet je niet om de vijf jaar kijken of het nog klopt, hoe het eruitziet? De DACCC-methode die we hebben ontwikkeld moet vooral steeds evolueren. Je kunt niet zeggen: dit is voor tien jaar. Er komen aldoor nieuwe zienswijzen. Het moet evolueren als een ecosysteem.

Voor alle theorieën geldt dat ze nooit ‘de waarheid’ in pacht hebben. Alle methoden evolueren en moeten dus bij tijd en wijle worden herzien. Dat geldt dus ook voor de regels van het MfN.

Voor alle theorieën geldt dat ze nooit ‘de waarheid’
in pacht hebben

U legt heel duidelijk uzelf als persoon in de mediation.

Ik denk dat je het als mediator moet doen op de manier die bij je past. Ik ben zelf wel directief, door emoties te benoemen. Ik heb eens tegen een mevrouw gezegd: ‘Ik denk dat we deze vechtscheiding moeten stoppen.’ Zij zei: ‘Maar ik vind het wel heel erg wat mijn ex doet!’ Toen zei ik: ‘Maar u bent net zo erg!’ Als je de verbinding hebt mag je dat soort dingen zeggen.


Ik probeer zelf niet kwaad te worden als partijen dat wel zijn. Soms gaat dat niet. Dan geef ik aan: als het zo doorgaat zie ik mij genoodzaakt te stoppen. Een duidelijke grens. Maar ik heb ook wel eens gehad dat ik bij een vechtscheiding zelf emotioneel werd en tranen in de ogen kreeg. De partijen reageerden verbaasd en vroegen: ‘Word je nou emotioneel?’ Toen ik dat bevestigde zeiden zij: ‘Als u emotioneel wordt, dan moet het wel heel erg zijn!’ Ik zei toen: ‘Ja, dat is het ook.’ Dat was eigenlijk een spiegel. Daarna zijn we binnen een uur tot een overeenstemming gekomen. Het gaat erom dat je zelf niet in je oude pijn zit, maar wel ziet wat er gebeurt aan tafel. Als partijen in scheiding moeten vertellen wat het effect is voor de kinderen, en ze zien dat je daarin geraakt bent, dan is dat ook een interventie.


Het is belangrijk dat je nadenkt en telkens weet: wanneer doe ik het en waarom doe ik het. Het moet niet zo zijn dat ik boos word én limbisch ben.


Als een omstandigheid waardoor de mediator in tranen schiet is toe te schrijven aan een partij, kan dat de door partijen gepercipieerde neutraliteit en onafhankelijkheid negatief beïnvloeden. Hoe gaat u daarmee om?

Daarom is het zo belangrijk dat je als mediator altijd ziet en duidelijk maakt dat het een systeem is. Het kan dus nooit zo zijn dat de een alles fout doet. De neutraliteit zit er in dat ik mij de emotie van de ene partij net zo goed kan voorstellen als die van de andere partij. Die verbinding moet je met beide partijen hebben. Beide partijen moeten zien dat ik hun emoties begrijp. Dat is natuurlijk iets anders dan dat ik het feitelijk eens ben met hun gedrag.


Hoe zit het met de belangen van kinderen?

Daarin ben ik vaak streng. Ik vraag wel: ‘Is dit het belang van het kind of van jou?’ Als het antwoord is ‘van het kind’, dan vraag ik: ‘Leg dat eens uit?’ Ik zeg ook vaak: ‘Je mag ook je eigen belang benoemen – dat moet je zelfs doen. Maar nu hebben we het over de kinderen. Moet ik het belang nou aan jou toeschrijven of aan het kind?’ Dat is een vorm van directieve therapie.


Iets waarin ik vind dat mediation van scheidingszaken zich onderscheidt, is dat de mensen niet de vraag stellen: ‘We komen er niet uit, kun je ons helpen?’, maar ze komen binnen met: ‘We hebben een probleem, en we weten al hoe we het op moeten lossen.’ Zo stappen ze eigenlijk op de bovenstroom in.

Van veel VFAS-advocaten hoor ik ook dat partijen vaak binnenkomen met: ‘Dit is het probleem, los het maar op.’ Ze willen een juridische oplossing, maar niet het feitelijke probleem aanpakken. In de psychologie is dat de weerstand.

De emotiethermometer

De emotiethermometer is een instrument om zicht te krijgen op de mate waarin emoties van invloed zijn. De thermometer heeft een schaal van een tot tien. Men is voor rede vatbaar en in staat om adequaat oplossingen te bedenken zolang het ‘emotieniveau’ onder de vijf blijft. Als de grens van vijf is gepasseerd heeft het limbisch systeem de overhand. Het limbisch systeem zet aan tot impulsief, geautomatiseerd gedrag, dat niet is gericht op conflictoplossing maar op emotiereductie. Limbisch gedrag heeft al snel een negatief effect op de communicatie en kan gemakkelijk leiden tot conflict.


Het is belangrijk dat conflictpartijen hun sterke emoties op een goede manier uiten zodat die in intensiteit dalen. Het limbisch denken gaat dan vanzelf over in cortex denken, waardoor partijen weer in staat zijn objectief naar het probleem te kijken, te luisteren naar elkaars argumenten en gebruik te maken van hun creatieve en cognitieve capaciteiten.

Vindt u dat juristen en psychologen voldoende samenwerken?

Ik kan dat niet beoordelen, ik doe het zelf wel. Ik word ook vaak gebeld door juristen die vragen: wat kan ik hieraan doen, op de onderstroom? Ik vind wel dat de mediators die ik zie goed met hun vak bezig zijn. Recht en psychologie liggen dicht bij elkaar. Ik vind het ook belangrijk dat je de juridische kaders goed helder hebt, en dat je mensen niet de verkeerde kant op stuurt.


Wat doet u zelf aan het opleiden van mediators?

Ik geef trainingen en workshops, en doceer over die DACCC-methode bij de Universiteit van Tilburg. Dat laatste is aan de voorkant. Door met studenten te werken ben je eigenlijk met een attitudeverandering bezig. We werken met conflictpreventie, conflict oplossen, en ook zorgen dat mensen niet nogmaals in de valkuil stappen. Wat heb je er van geleerd, of wat moet je er nog van leren?

Kijkt u nog wel eens in het Handboek Mediation?

Nee.


Hoe ziet u de waarde van het Handboek?

Ik denk dat je kan zeggen: dit moet het zijn in de basis, daarna moet je kijken: wat heb je persoonlijk nodig om je mediations van good to great te krijgen.


De variabelen zijn in iedere zaak zo verschillend. In de psychologie is het zo moeilijk om dingen te bewijzen. Want er hoeft maar één andere variabele te zijn en het loopt al anders. Soms komen mensen binnen en dan zit je al te denken welke interventies moet ik hier nu doen. Het is eigenlijk de puzzel die binnenkomt, alleen is het nooit dezelfde puzzel. Je weet alleen dat het duizend stukjes zijn, maar niet wat het plaatje moet worden. Je zit blind te puzzelen. Soms zijn er ineens nog maar vijftig stukjes.


Maakt u ook mee dat cliënten elkaar zitten te diagnosticeren in de mediation?

Dat komt heel veel voor. Narcisme komt in de spreekkamer veel vaker voor dan de statistieken voorspellen.


Hoe gaat u daarmee om?

Als iemand bijvoorbeeld zegt: ‘Mijn man is een narcist’, en ik denk dat dat niet zo is, dan zeg ik: ‘Klinisch zie ik geen aanleiding om dat te denken.’ Dat vind ik het voordeel van psycholoog zijn. Ik kan dat oordeel vellen. Als niet-psycholoog kun je zeggen: ‘Narcisme komt maar in 0,04 procent van de gevallen voor, dus dan heb je wel heel veel pech.’


Voor alle theorieën geldt dat ze nooit ‘de waarheid’ in pacht hebben

Over George Smits

George Smits werkt als coach, trainer, mediator en psycholoog. Hij doceert op de Universiteit van Tilburg en op diverse andere instituten. Hij is gespecialiseerd in complexe mediations en begeleidt organisaties bij veranderingsprocessen. Smits schreef samen met Monique Neven-Stillebroer het boek Emotiemanagement waarin onder andere de emotiethermometer en zijn theorie over de boven- en onderstroom worden uitgelegd (2017). De illustraties bij dit artikel zijn afkomstig uit dat boek.Tekst

Heeft u wel eens een mediation stil­gelegd omdat mensen echt eerst in therapie moesten?

Ja, dat is wel eens voorgekomen, maar dan zeiden de cliënten dat zelf ook. Al explorerend vraag je dan: ‘Zou je hier nu wat mee moeten doen?’ Het is eigenlijk wel mooi als dat gebeurt, want dan gaat iemand aan zichzelf werken. En het is maar de vraag of een mediation dan nog noodzakelijk is.


Doet u ook aan nazorg? Nog eens bellen hoe het gaat?

Dat zou ik eigenlijk vaker moeten doen. Vroeger gaf ik ook veel relatietherapie. Dan gebeurde het wel dat ze toch na vijf jaar terugkwamen en uiteindelijk wilden scheiden. De vraag is of de relatietherapie dan heeft geholpen. Soms heeft het geholpen om elkaar beter zien, soms denk je dat het karakterologisch gezien misschien wel de beste oplossing is om uit elkaar te gaan. Over psychologie gesproken: ik noem verliefdheid ook een tijdelijke psychose, met de nadruk op tijdelijk.


Wie zijn uw grote voorbeelden als het gaat om de ontwikkeling van uw denken?

Dat is natuurlijk Nico Frijda met de emotieleer, en wat ik allemaal bij gedragstherapie heb geleerd, maar ook van het boeddhisme kun je ongelooflijk veel leren. Wat ik heel mooi vind in het boeddhisme is in de eerste plaats het inzicht dat heftige emoties gif zijn, en ten tweede dat de pijn die je als kind meemaakt positief kan zijn. Dat noemen ze ‘de parel in de pijn’.

Mediteren, buikademhaling en mindfulness zijn ook heel belangrijk. Daardoor krijg je alfahersengolven. Daarom heb ik hier in mijn spreekkamer dat kobaltblauwe bed staan. Als iemand moeite heeft en veel spanning voelt, dan laat ik diegene er even op liggen. Want als je op je rug ligt heb je altijd een buikademhaling. Dan ga je over op het parasympatische zenuwstelsel en kun je voelen dat je rustiger wordt. Dat vind ik mooi, hoe de psychologie en de biologie met elkaar samenwerken.


Hoe wilt u als mediator worden herinnerd?

Ik wil graag dat de mensen denken: het was een fijn gesprek, we hebben veel geleerd, en we zijn eruit gekomen – wat de oplossing ook was.

Waar ik in essentie naar streef is dat de mensen niet meer hoeven te lijden, daar waar het niet nodig is.

Noot

Voor meer informatie, zie www.mannaertsappels.nl > Expertises > Corporate litigation > IzAAC.

Henneke Brink is MfN-registermediator, buurtbemiddelaar en jurist.

Janny Dierx is bestuurder van De Mediation Coöperatie, opleider bij Caleidoscoop en lid van het Schadefonds Geweldsmisdrijven.


Beiden zijn redactielid van dit tijdschrift.