Bordewijk en het
onoplosbare conflict

Heeft niet iedereen een favoriet boek dat hij keer op keer herleest? Omdat het blijft boeien, omdat het raakt aan het persoonlijke leven, of omdat het werkzame leven erin doorklinkt? Voor advocaat Rogier Duk is dat Karakter.

favoriet

Door Rogier Duk

Natuurlijk kent iedere lezer Karakter van F. Bordewijk, in 1938 voor het eerst verschenen. Maar voor degenen die niet honderd procent zeker weten of het verhaal zich nu afspeelde in de Archipelbuurt van het negentiende-eeuwse (toen nog) ’s-Gravenhage of in Voorschoten ten tijde van de Tweede Wereldoorlog eerst een korte samenvatting.


Jacob Willem Katadreuffe, hoofdpersoon van het boek, is rond 1900 geboren als de onwettige zoon van de deurwaarder Dreverhaven en diens toen achttienjarige huishoudster Joba. Het boek heeft als ondertitel Roman van zoon en vader, maar is in hoofdzaak vanuit het perspectief van de zoon geschreven. Na als nette arme te zijn opgevoed, begint Katadreuffe een sigarenwinkel. Die failleert. Na dat faillissement komt hij te werken op het Rotterdamse advocatenkantoor Stroomkoning waaraan zijn curator mr. De Gankelaar verbonden is. Hij haalt dan eerst het staatsexamen en daarna de Leidse meestertitel en moet aan het eind van het boek ongeveer dertig jaar oud zijn. Voornaamste thema is het streven van vader om zoon tegen te werken. De vader zit achter het eerste en een tweede faillissement en ziet een derde poging falen. Het boek toont, uiterst subtiel, de karakterontwikkeling van Katadreuffe, die – heel langzaam – leert relativeren, iets waaraan zijn vader nooit is toegekomen.

Ik moet een jaar of vijftien zijn geweest toen ik het boek voor het eerst las. Ik begreep er vermoedelijk heel weinig van, maar heb het in de loop der tijd meermalen herlezen. Het boek bleef in mijn herinnering, alleen al omdat telkens wanneer ik het thuis ter sprake bracht, mijn, in 2012 overleden, vader kwam met een reeks (vaak uitvoerige) citaten; ik noem er hier straks enkele. Elke keer dat ik het boek herlas, trof mij weer iets anders.

Zo viel mij eerst bij mijn herlezing ten behoeve van deze beschouwingen op hoe liefdevol het portret is dat Bordewijk schildert van de Rotterdamse wijk Tuindorp Vreewijk, al kan het zijn dat zijn warmte niet in de laatste plaats is ingegeven door de prachtige namen die de straten daar dragen, zoals de Groene Zoom en de Enk. Zelf herinner ik mij goed de in die wijk gelegen Lange Geer, waaraan mijn grootouders van moederszijde woonden (op no. 218) en waar ik als kind ’s zomers vaak logeerde.

Karakter is niet alleen de ‘roman van zoon en vader’ van de ondertitel. Het is zoveel meer. Aan het slot maakt zoon Katadreuffe de balans op van zijn leven tot dat moment, nadat hij vader Dreverhaven (min of meer) heeft overwonnen, en hij beschouwt daartoe wie in zijn leven, zoals in het boek beschreven, een rol hebben gespeeld.

Dat is in de eerste plaats zijn vriend Jan Maan, communist tussen de twee wereldoorlogen. Met behulp van die figuur weet Bordewijk, onder meer, de maatschappelijke verhoudingen uit het interbellum treffend te schetsen. Zo zou een communist in die tijd niet tot de balie zijn toegelaten, reden waarom Katadreuffe zijn vriendschap met Jan Maan aan de plaatselijke Deken moet uitleggen als hij advocaat wil worden. Dat is belangrijk, omdat de roman óók gaat over (wat zo lelijk heet) sociale emancipatie (en de offers die dat van het opklimmende individu vraagt).

Een mooi detail in dat verband is het aarzelend door Jan Maan aanvaarde verbod om deel te gaan nemen aan communistische rellen, in de achterbuurten van Rotterdam. Dat verbod komt van moeder Joba, bij wie Jan Maan kostganger is. De roman is ook het verhaal van zoon en moeder, en daarmee van twee mensen die elkaar zo na staan en die zo overeenstemmen in, vooral, trots dat dat normaal contact aanzienlijk bemoeilijkt. Een van de allermooiste zinnen uit het boek is die over het spaarbankboekje dat Joba aan haar zoon wilde nalaten door een in dat boekje met de hand geschreven opdracht: ‘Het testament: onwettig, ongeldig, onnodig. Het sublieme testament.’ (Dat citeerde mijn eigen vader, onder meer.)

Het boek is, zeker voor mij als advocaat, zo aantrekkelijk omdat het een prachtig portret schildert van een advocatenkantoor

Onbeschrijflijk teder is hoe Bordewijk de verhouding tussen Katadreuffe en Lorna Te George, de beste secretaresse op het kantoor, beschrijft. Een beter portret van een ongeconsumeerde liefde ken ik niet. Treffend detail: hij woont op kantoor, zij komt een keer op zijn sjofele kamers op visite, en zij zeggen elkaar niets. Het pakkendste detail over deze relatie is wanneer hij haar, met kinderwagen, aan de Maas ontmoet, moeder Joba vraagt of zij al verkering had toen hij haar op kantoor leerde kennen en, na het ontkennend antwoord van haar zoon, simpelweg zegt: ‘Sukkel’. (Ook dat citeerde mijn eigen vader vaak.)

Het boek is, zeker voor mij als advocaat, niet in de laatste plaats zo aantrekkelijk omdat het een prachtig portret schildert van een advocatenkantoor, zowel van het ondersteunend personeel, waartoe Katadreuffe eerst behoort, en de verhoudingen daartussen als van de verschillende daar werkzame advocaten. Misschien is het boek door de Zuidas en vergelijkbare aberraties niet meer helemaal up-to-date, maar ik, sinds 1972 Haags advocaat, herken de verschillende types advocaten op het kantoor met gemak. Aan Mr. Stroomkoning kan ik niet denken zonder mijn voormalige compagnon (en oud-minister) Y. Scholten – de beste vergadervoorzitter die ik heb meegemaakt – voor mij te zien, en juffrouw Kalvelage heeft veel gemeen met mr. Minkenhof, eerst advocaat-generaal bij en later lid van de Hoge Raad der Nederlanden.


Maar het belangrijkste in het boek is de verhouding tussen vader Dreverhaven en zoon Katadreuffe. Die verhouding blijft ook na de zoveelste herlezing van het boek raadselachtig. De weigering van Joba om met Dreverhaven te trouwen of zelfs maar alimentatie voor hun zoon te ontvangen is, ongetwijfeld, een mogelijk motief voor zijn tegenwerking van Katadreuffe op diens zo ernstig en volhardend nagestreefde weg omhoog. Maar in een cruciale passage aan het slot van het boek antwoordt Dreverhaven Katadreuffe op de vraag waarom hij hem zo heeft tegengewerkt: ‘Of meegewerkt.’



Quote

Is Karakter, tachtig jaar na het eerste verschijnen, verouderd? Ja en, vooral, nee. Het is ongetwijfeld verouderd in zijn taalgebruik, waarin het expressionisme van het jaar van verschijnen van tijd tot tijd doorklinkt. En het is verouderd in, bijvoorbeeld, zijn blik op de verhouding tussen man en vrouw, waarover ik geen feministische lof durf te verwachten. (Die streefde Bordewijk vast niet na, zelfs niet postuum.) Ook is kenmerkend voor die tijd de grote aandacht die Bordewijk schenkt aan de kwaliteit van de gebitten van personen die in het boek voorkomen.

Maar het boek is vooral niet verouderd, omdat het de onweerstaanbare kracht toont die aan veel conflicten eigen is. Zoete leugens in, vooral, de rechtspraak doen het wel eens voorkomen dat er voor elk conflict met enige openheid en welwillendheid over en weer altijd wel een minnelijke oplossing is te vinden. Dat getuigt van een rationele benadering, die dus, per definitie, niet helpt bij irrationele overwegingen, aan een kant of aan beide kanten. De zogeheten renteneuroot is daarvan een bekend voorbeeld uit het socialezekerheidsrecht, maar ook het civiele proces – met name in zaken van familierecht en arbeidsrecht – levert allerlei voorbeelden op, in de dossierkast direct te herkennen aan de vele mappen die het dossier na verloop van tijd omvat. In de eerste hoofdstukken van Karakter is een mooi – en eeuwig geldend? – voorbeeld de echtscheidingscliënt die op kantoor Stroomkoning maar blijft komen én blijft klagen. Het conflict tussen vader en zoon is van een andere orde. Niet voor niets denkt Katadreuffe aan het slot van Karakter over zijn vader ‘niet als een mens, hij zag hem als een boom’. Als ik mij een mediator of een comparitierechter voorstel die voor het conflict tussen deze vader en deze zoon een billijke, voor beide partijen bevredigende oplossing in der minne moet vinden, kan ik een ironische glimlach moeilijk onderdrukken.

Gedicht

Wij die elkaar tot bloedens toe

Jean Pierre Rawie


Wij die elkaar tot bloedens toe

op alle zwakke plekken kwetsten,

wij beiden zijn ten langen leste

de onbesliste vete moe.


Het laatste licht faalt in het westen,

mijn lieve vijandin, zie hoe

ik mij van mijn wapentuig ontdoe;

dit is uiteindelijk het beste.


Het heeft alleen zo lang geduurd:

de bitterheid waarmee wij streden

heeft voor ons alletwee voorgoed


zowel de toekomst als het heden

volledig in de war gestuurd. –

Zeg nu maar hoe het verder moet.

Maar er is nog hoop, zij het niet voor Dreverhaven. Onlangs is mr. H. Roelvink overleden, lid van de Hoge Raad en daarvoor advocaat, nota bene ook te Rotterdam. In een procedure die ik jaren geleden tegen hem voerde, had de rechter iets meer toegewezen dan ik voor de werkgever aangeboden en veel minder dan hij voor de werknemer gevraagd had. Na het verstrijken van de appeltermijn belde ik Roelvink op en liet doorschemeren dat de zaak toch wel zonder procedure tegen het inmiddels definitief toegewezen bedrag geschikt had kunnen worden. Zijn reactie is er een waarvan de huidige zachte heelmeesters wellicht niet zullen willen weten. Die reactie was dat het zijn cliënt in de eerste plaats ging om ‘his day in court’. De zaak was door mr. Roelvink – dacht ik – subliem toegelicht, de rechter had gesproken en de cliënt kon in de uitkomst berusten. Er was, zo voelde hij het klaarblijkelijk, naar hem geluisterd.

Er zijn, al met al, in het juridische grosso modo drie soorten conflicten. De meeste liggen, gelukkig, in de categorie waarvoor een schikking, soms met enige moeite, mogelijk is. Een mediator is daarbij lang niet altijd nodig. De tweede categorie is die waarin een rechter de knoop moet doorhakken, maar de verliezende partij in diens uitspraak kan berusten als hij maar het gevoel heeft dat er echt naar hem geluisterd is. De derde – minst voorkomende, maar meest interessante – categorie is die van het onoplosbare conflict. Zo’n conflict toont Karakter, misschien wel zo overtuigend omdat het te raden laat waarom Dreverhaven zijn zoon zo tegenwerkt. En waarom Katadreuffe telkens weer de uitdaging aangaat, zoals met de lening die hij bij zijn vader afsluit om zijn studie te bekostigen. Zelf noemt Dreverhaven ‘geld en de wet’ als zijn drijfveren, maar dat is – denk ik – vooral een metafoor. Maar van wat?

Karakter is een meesterwerk dat iedereen, maar zeker iedere jurist én iedere mediator, moet lezen én herlezen.

Rogier Duk is sinds 1972 advocaat in Den Haag.