Frank Westerman:

‘Een speler is nergens zonder tegenspeler’

Frank Westerman maakte als jongetje de Molukse treinkapingen van dichtbij mee. Later deed hij als journalist over de hele wereld verslag van conflicten als gijzelingen en burgeroorlogen. Hoe ziet hij de verhouding tussen het conflict en het verhaal? Kunnen de verhalen die je vertelt helpen om een conflict te begrijpen en te hanteren?

interview

Door Henneke Brink
Foto’s: Shody Careman

We klimmen het trappetje op naar zijn werkkamer, de eerste etage van een charmant grachtenpandje. De ramen staan open, de zon tuimelt naar binnen. Uit een karaf schenkt Frank Westerman limonade in, met ijsklontjes. Dan gaat hij in zijn bureaustoel zitten. Naast zijn werk­tafel, in het raamkozijn, ligt het manuscript van zijn nieuwste boek. Het verschijnt in oktober van dit jaar. De bovenste pagina’s fladderen in de wind.


Ik heb een exemplaar van Een woord een woord meegenomen. Het is zijn voorlaatste boek, verschenen in 2016. Het is een interessante exploratie van de kracht van het woord in de strijd tegen terreur. Hij begint zijn zoektocht bij de Molukse kapingen die zich tussen december 1975 en maart 1978 voltrokken in Drenthe: twee treinkapingen, een gijzeling in een school en in het provinciehuis. Hij maakte het als jongetje van heel dichtbij mee. In het boek onderzoekt hij de manier waarop de gijzelnemers, hun eisen en dreiging met dodelijk geweld, tegemoet werden getreden. Hij beschrijft de Nederlandse benadering, die aanvankelijk neerkwam op tijd rekken, praten en nog meer praten – wat niet betekende dat de kapers zich gehoord voelden, getuige het feit dat het niet bij één gijzeling bleef. Hij contrasteert die strategie met het bruut gewelddadige antwoord van de Russische autoriteiten op de schoolgijzeling in Beslan door de Tsjetsjeense vrijheidsstrijders, in 2004.


Westerman groef diep om de essentie te vatten. Hij sprak met Molukse kapers van toen en met de onderhandelaars die werden ingezet. Hij onderwierp zich aan een training tot onderhandelaar bij gijzelingen en bezocht een internationaal symposium van terrorisme-experts. Zijn aandacht richtte zich op de transformatie, zoekend naar het punt waarop vreedzame middelen het winnen van geweld, of wanneer ideologisch fanatisme verandert in een visie die gematigd is.


Een woord een woord is een intellectueel onderzoek van strijd en conflict, maar in je carrière heb je het conflict ook heel letterlijk opgezocht, als journalist en correspondent in oorlogsgebieden. Kun je vertellen waar die interesse vandaan komt?

‘Ik wilde vroeger ontwikkelingswerker worden. Ook schrijver hoor, maar dat sluimerde toen nog. Mijn studie, tropische landbouw, bracht mij in de Andes. Ik liep stage bij een irrigatieproject en draaide een jaar mee in een circus van internationale ngo’s. Op een gegeven moment waren er in het stadje aan het Titicacameer waar ik zat wel 88 verschillende organisaties gevestigd. Allemaal hadden ze een fourwheeldrive met een mooi logo, allemaal deden ze “iets goeds” – en “iets goeds” was in dit geval synoniem voor “opbouwend”. Want ontwikkeling veronderstelt een weg omhoog. Dat zit erin gebakken.’


‘Tegelijkertijd woedde 60, 70 km verderop een oorlog tussen het Lichtend Pad, Sendero Luminoso, en het leger. Beide partijen gingen grof, verwoestend tekeer. Er was een dorp waar een commando van Sendero Luminoso een volkstribunaal had ingericht. Dat eindigde ermee dat het hart van de burgemeester, el alcalde, uit zijn lijf werd gesneden en op een deur werd gespiest. Maar daarna kwam het leger, en zij stelden de vraag: wie heeft ze geholpen? En dan werd iemand aangewezen met wie het dan op min of meer dezelfde manier af liep.

Dergelijke wreedheid, en ook het afbreken, achter je rug, noopte tot de vraag: wat doe ik hier? Wat doen wij in het ontwikkelingswerk hier? Ik wil wel mijn handen uit de mouwen steken, maar wat heeft het voor zin? Ik ben toen in de zijlijn gaan staan om meer te beschouwen in plaats van te handelen, en dat leidde tot een stuk voor het Parool. Ineens was ik geen aspirant irrigatie-ingenieur meer, maar iemand die vragen stelde en schreef. Een journalist.’

‘Mijn hele werk is doortrokken van een zeker engagement. Die betrokkenheid met de dingen om mij heen, dat is waarom ik de dingen doe die ik doe, waarom ik de deur uit loop. Maar als je de volgende vraag stelt: waarin ligt die betrokkenheid precies, dan kan ik niet meteen een kleur noemen, of een groep, of een vaandel waar ik achteraan loop. De rode draad is dat ik wil dat de dingen goed gaan in de samenleving. In “samenleven” zit het woord “samen”. Dat moet toch kunnen lukken, zou je denken? Laten we ons daar dan hard voor maken.

Maar er komt onherroepelijk een moment waarop de sturm und drang, het ideaal, je hemelbestormende enthousiasme, verkeert in het tegendeel. Het kan zijn dat de dingen niet gaan zoals je wenst, er kan ook een burgeroorlog zijn, of iets anders totaal verwoestends. Het opbouwen en het afbreken zijn twee kanten van dezelfde medaille, en het kantelpunt bepaalt het verhaal. Waar gaat het mis? Je kan het eigenlijk terugbrengen tot de vraag: waar slaat de droom om in een nachtmerrie?’


Kun je iets vertellen over het belang van conflict in je boeken?

‘Alle verhalen zijn uiteindelijk terug te voeren op de Griekse tragedies, met niet alleen een protagonist maar ook een antagonist. Een speler is nergens zonder tegenspeler. Een personage streeft, maar de tegenspeler maakt het hem moeilijk. Er is weerwerk nodig. Daarin zit het conflict. Dat zijn prachtige sjablonen waar je op kunt variëren en die je kunt ontregelen. Je kunt zeggen: het goede wint altijd, maar je kunt ook de kwade genius, de boosaard laten zegevieren.’

In ‘samenleven’ zit het woord ‘samen’. Dat moet toch kunnen lukken, zou je denken?

‘Later kwam ik op Cuba een voortvluchtige RAF-terrorist tegen met wie ik een tijdje optrok. Ze vroeg mij brieven voor haar te posten, aan haar kameraden. Dat heb ik gedaan. Ik heb daar nu spijt van. Ik had de brieven ook aan de politie kunnen afgeven, maar dat deed ik niet. Dus hoeveel scheelde mijn radicaliteit met die van Abé, voordat hij de trein kaapte? In het boek stel ik de vraag hoe ik zelf zou hebben gereageerd als ik in de schoenen van Abé had gestaan en mijn kameraden een beroep op mij hadden gedaan: “Doe je mee met het gewapend verzet?” Ik liet daar eerst een witregel vallen, maar toen besloot ik de vraag gewoon te beantwoorden. Nu staat er: “Ik denk het wel.” Ik denk niet dat ik iemand in de deuropening van een trein had doodgeschoten, maar wel dat ik “ja” zou hebben gezegd op de vraag “doe je mee?”’


En hoe past de nieuwsgierigheid naar de kracht van het woord daarbij?

‘Aan Een woord een woord ligt een heel ondermijnende vraag ten grondslag, namelijk of het allemaal wel zin heeft, dat praten, het uitwisselen van argumenten, het debat, nog maar eens een opiniestuk, of de manier waarop ik voor de krant in Rusland de opkomst van Poetin beschreef.

Die opkomst viel samen met de tweede Tsjetsjeense oorlog. Poetins carrière is gelanceerd, eerst als premier daarna als president, met het aanpakken van Tsjetsjeense opstandelingen. Ik was indertijd als correspondent voor het NRC naar Zuid-Rusland gestuurd. Aan de Terek, het grensriviertje waar Tsjetsjenië begint, lagen vier afgehakte hoofden op een laken, van drie Britten en een Nieuw-Zeelander. Ze waren gegijzeld, er was iets misgegaan met het losgeld, en daar waren hun hoofden. “Kom ze maar halen als je durft.” Zo lagen ze daar. Ik belde de krant om te vertellen dat ik niet naar Tsjetsjenië zou gaan, niet dat riviertje over. Later kwamen de vluchtelingen over de Kaukasus. Ik wilde met ze praten, maar mijn Russische fotograaf zei: “Frank, nu! Wegwezen!” Hij dacht dat we daar zouden worden ontvoerd, mee zouden worden genomen de grens over. We moesten weg, het was te onveilig. Toen werd ik boos, want ik besefte dat ik zo mijn werk helemaal niet meer kon doen. Moest ik dan in Moskou in mijn kantoortje beschouwingen gaan schrijven? Wat was eigenlijk mijn werk, wat deed ik daar? Ik was feiten aan het delven, als de ruwe brandstof voor het debat. Maar dat werd mij onmogelijk gemaakt. Tsjetsjenië werd een blinde vlek op de kaart, zoals dat nu geldt voor Syrië.

Eigenlijk was dat het startpunt van Een woord een woord. Doorredenerend kwam ik vanzelf uit op de vraag: waarom schrijf ik boeken? Waarom schrijven? Het is dezelfde existentiële vraag die ik in Peru ook had: wat is de zin hiervan? Ik zoek een goede reden, wil mijn overtuiging terug. Ik wil terrein terugwinnen op de idee dat het woord een slap kruid is dat niet is opgewassen tegen geweld. In het boek wilde ik proberen op alle fronten dat afkalvende geloof in de kracht van het woord terug te winnen.’


Heeft het allemaal wel zin, dat praten, het uitwisselen van argumenten, het debat, nog maar eens een opiniestuk?

In mediation probeer je een conflict te veranderen door, grof gezegd, de focus te verleggen van de standpunten naar de achterliggende belangen, zodat het ‘samen’ weer terugkomt en er weer iets goeds kan ontstaan. Heb jij ook een dergelijke ambitie als je een conflict beschrijft?

‘Ik zie in ieder geval parallellen met schrijven.

Een personage is alleen interessant als er een verandering plaatsvindt. Mensen die niet veranderen, daar kun je geen boek mee vullen. Dan wordt het gewoon saai. Ik zoek naar dat verglijden. Dat kan met een schok gaan, dan heet het een catharsis, een loutering. Soms neemt de verandering meer tijd. Je hebt een idee, maar als je ouder bent kom je daarop terug. Of je zet je voor iets in, en op latere leeftijd zet je je voor het tegengestelde in. Wat is er dan gebeurd? Dat is interessant! Je dacht dat je de stabiliteit zelve was, en ineens valt de wereld onder je weg. Dit gebeurt bijvoorbeeld ook bij de persoon van Sicco Mansholt in mijn boek De Graanrepubliek.1


Die tournures, dat zijn interessante momenten. Daar kun je een glimp opvangen van de onderliggende patronen, van de processen waar je normaal gesproken geen greep op krijgt. Voor iedere persoon die ik beschrijf wil ik vooral weten: wat is je drijfveer?’

In Een woord een woord beschrijft Westerman een ontmoeting met Abé Sahetapy, de man die met een ruk aan de noodrem in 1975 de eerste treinkaping in werking stelde. Hij was dichter geworden. Sinds 1982 publiceerde hij vijf bundels.


‘Hij was geradicaliseerd en vervolgens gederadicaliseerd. Waarom twee keer zo’n omslag? Wandelend langs de Maas legde hij uit hoe hij als 22-jarige wachtte. Ik vroeg: “Wachtte waarop?”, en hij zei: “Tot je gevraagd werd, door de kameraden. Om mee te doen aan de gewapende strijd.” Ik vroeg: “En dan?” En hij antwoordde: “Dan zei je ‘ja’.” Ik zei: “Wacht. Meedoen kan ik begrijpen, maar een trein kapen gaat ver. Het vergt voorbereiding. Je gaat het tracé verkennen, wapens kopen, je gaat in het bos schietoefeningen houden.” Maar hij antwoordde: “Zo moeilijk is het niet. Jij kan het ook. Een pin uit een granaat trekken? Een geweer afvuren? Jij kan het ook. Het is het Songfestival niet.” Dat is wat hij letterlijk zei. “Het is het Songfestival niet.” Daarna vertelde hij over zijn achtergrond, zijn jeugd, zijn vader, het feit dat hij geen broers heeft maar alleen maar zussen, dat hij nooit een Nederlander, een niet-Molukker, tot zijn vrienden heeft gerekend. Ik vroeg mij af: was ik ook radicaal toen ik 22 was? Het antwoord is “ja”. Ik heb ook gecollecteerd voor wapens voor El Salvador, als student in Wageningen. Als mensen vroegen of er van het opgehaalde geld ook wapens zouden worden gekocht, dan zeiden we dat dat best zou kunnen. Het geld was voor het gewapende verzet, ze zouden er niet alleen schoolboeken van kopen.’

Frank Westerman (in het lichtblauw) tijdens de onderhandelingstraining in het politietrainingscentrum in Ossendrecht, uit de uitzending van Pauw4

Over Frank Westerman

Frank Westerman schreef zijn eerste reportage in Peru, waar hij de gewapende strijd van het Lichtend Pad van nabij meemaakte. Begin jaren negentig deed hij voor de Volkskrant verslag van de oorlog in het voormalige Joegoslavië en drong hij door tot de omsingelde, door Dutchbat verdedigde, enclave Srebrenica. Daarna deed hij als correspondent voor het NRC jarenlang verslag van de Tsjetsjeense oorlog in de Kaukasus. Hij schreef meer dan tien boeken, waaronder Een woord een woord, In het land van de ja-knikkers, Stikvallei, De slag om Srebrenica en De graanrepubliek. Vijf van zijn boeken zijn bekroond met literaire prijzen. In oktober verschijnt Wij, de mens, een zoektocht naar ons fossiele verleden.

Om die kracht van het woord lijfelijk te ondervinden meldde Westerman zich bij het politietrainingscentrum in Ossendrecht, bij de School voor Gevaar- en Crisisbeheersing, waar hij als figurant een kapingsoefening onderging en werd getraind tot onderhandelaar bij gijzelingen.


‘In die training stond iemand met een mes tegenover iemand met lege handen, iemand die alleen beschikt over het woord en lichaamstaal. Een asymmetrisch duel. Wat is in zo’n situatie de kracht en zwakte van het woord, tegenover geweld? Ik stond voor een man die zijn vrouw vasthield met een mes op haar keel. Hij hield haar zo vast en wilde dat ik haar “hoer” zou noemen. Als ik dat niet zou doen, dan ging hij haar vermoorden. Hij schreeuwde: “En hoe ga je haar noemen?” Ik antwoordde: “Daar gaat het nu even niet om.” De instructeur corrigeerde: “Nee, daar gaat het hem juist wel om!” Even later zei de man met het mes letterlijk: “Wat zou jij d’r van vinden als jouw wijf d’r eigen laat uitwonen door een grote neger, drie keer in de week?” De instructeur zei: “Frank, je hebt drie aanknopingspunten: een grote neger? Drie keer in de week? Is dat wat er gebeurt? Vraag het! Laat ze zich echt uitwonen door een grote neger? Drie keer in de week?” Het klinkt zo evident, maar het lukte mij niet om te bedenken waarom ik haar een hoer moest noemen. Hij vond dat ze vreemd ging, dat ze een slet was. Hij had haar kennelijk betrapt. Als ik nou maar de mogelijkheid had om in zijn weerzinwekkende hoofd te kruipen en te herkennen: “Goh, dáár zit hij mee!” Dan had ik een opening en een aanknopingspunt. Het ging dan niet om sympathie, het ging om empathie – zo’n schaars goed. De instructeur zei tegen mij: “Frank, jij bent schrijver, jij moet dat toch in de vingers hebben?”


Hoe heeft het schrijven je visie op conflict veranderd?

‘We zijn geweld inmiddels zo anders gaan beschouwen dan voorheen. Ik ook, niet in de laatste plaats.’ Westerman vertelt hoe hij als figurant heeft meegedaan aan een nachtelijke kapingsoefening van het M-squadron, de antiterreurbrigade. ‘Als je in een gekaapt KLM-toestel zit komen die jongens je bevrijden. Dat heb ik meegemaakt. Ze kwamen aanrollen met pantservoertuigen met daarop gemonteerde trappen, en ineens waren ze allemaal binnen. Als figurant in zo’n kaping wilde ik ze omarmen, die mannen met schilden en helmen!’ Dit terwijl hij als student in Woensdrecht, demonstrerend tegen kernwapens, diezelfde mannen zag als de vijand. ‘“Fascisten” werden ze toen genoemd. Toen in Woensdrecht zag ik ze als de belichaming van de foute kant, maar ik besef dat ik ze wil bedanken als ik tijdens die oefening uit dat vliegtuig stap. En dat is niet iets van mij alleen, wat ik hier beschrijf.’


Westerman ziet de veranderde perceptie van geweld als een algemene verschuiving van de laatste decennia. ‘Vroeger stuurden we ontwikkelingswerkers de wereld in. Dat doen we niet meer. In plaats daarvan sturen we tot de tanden gewapende mariniers.’

Met dezelfde verbetenheid waarmee een ander een mitrailleur overhaalt zit Meinhof haar typmachine te bedienen

Wat betekent dit voor de relatie van het woord tot het zwaard?

‘Ik denk dat het woord niet zonder zwaard kan. Het zwaard beschermt de dingen die ons lief zijn. Een debat in de Balie móét kunnen plaatsvinden, en desnoods met een cordon politie eromheen. Maar het omgekeerde is ook waar. Het zwaard heeft het woord ook nodig.’


‘Ik begon mijn verkenning met heel eenvoudige vragen. Kunnen woorden opgewassen zijn tegen kogels? Hebben wij een weerwoord tegen terreur? Maar al gauw zag ik in dat die tegenstelling vals was – alleen al omdat ook (of juist ook) de terrorist zich bedient van enorme pamfletten, boekwerken en heilige boeken. Dus die politieke terreurdaad kan niet zonder bijsluiter, er moet een lap tekst bij. Anders Breivik die eerst een manifest post op het internet voordat hij de deur uitgaat naar dat eilandje. Mohammed Bouyeri die niet alleen een dolk priemt in de borst van Theo van Gogh, maar er ook een lap tekst bij doet. Ulrike Meinhofs Das Konzept Stadtguerilla; met dezelfde verbetenheid waarmee een ander een mitrailleur overhaalt zit Ulrike haar typmachine te bedienen. Zelfs in de woestijn: die mannen in die oranje pakken zoals Jihadi John, delen eerst hun “Message to America” voordat ze de keel van hun slachtoffer doorsnijden. Het is bijna een spervuur van ideologische rechtvaardiging van moord, een gijzeling, van een terreurdaad die gaat komen.’


‘De tegenstelling is dus niet: “Wij beschaafden hanteren het woord, zij barbaren hanteren het wapen.” Nee, zij die het wapen hanteren putten zich uit in teksten. Maar het kenmerkende van die teksten, zoals die van Ulrike Meinhof, van Anders Breivik, is dat die hermetisch zijn. Er staan geen vragen in, er is geen twijfel, geen zelfspot, geen humor. Alle woorden liggen in elkaars verlengde, allemaal wijzen ze op die ene uitkomst. Eigenlijk wordt het filosofisch denkraam zo smal als een schietgat. Mensen zijn niet meer zichtbaar, enkel nog targets, in de verte. Deze taal is te contrasteren met een ander soort taal: de taal waarmee je een opponent een vraag stelt. Dat is een taal die kracht heeft.

Om dat tot uiting te laten komen heb ik de “softs” denkbare aanpak van terreur tegenover de meest gewelddadige geplaatst: ik heb de “Dutch ­Approach” gecontrasteerd met wat ik de “­Russian Approach” noem. Hoe wij omgingen met de gijzelingen in Boven-Smilde tegenover hoe Poetin omging met de gijzeling in Beslan. Poetin zei letterlijk op de televisie: het prestige van de staat stond op het spel! We konden niet anders! Wat is dat “prestige”? Als je het Kremlin hebt gezien weet je wat het is. Macht. Macht werd ondermijnd. Onderhandelen zien de Russische leiders als een teken van zwakte en luisteren is ongeveer je ziel weggeven. De waardering van luisteren is nul in de Russian Approach. Maar wat zegt Havinga, de psychiater die ten tijde van de treinkapingen als onderhandelaar optrad? Hij zei: “Mulder [ook onderhandelaar met zelfde achtergrond] en ik werden opgebeld door justitie. We zijn psychiaters en we moesten naar die treinkapingen. Want bij justitie heerst het idee; psychiaters kunnen goed praten! Een geweldige misvatting! Ons vak is niet praten, ons vak is luisteren!”’


Er valt een stilte. Dan vertelt Westerman hij hoe nu, veertig jaar na de gijzeling in Boven-Smilde, huiskamertoneel wordt opgevoerd in het dorp. Een initiatief van de bewoners, waaraan Molukkers en niet-Molukkers meedoen. Mensen uit beide groepen komen een voor een binnen en vertellen over hun leven en belevingen van toen.

‘Maar liefst veertig jaar na dato vond het dorp het woord, in gestileerde vorm, langs de weg van de kunst, als manier om de wond te helen.’

Noot

  1. Westermans boek De Graanrepubliek verscheen in 1999. Mansholt was minister van Landbouw onder zes kabinetten Drees, van 1945 tot 1958. Hij dwong boerenbedrijven te groeien, wat voor veel kleine boeren het faillissement betekende. Later kwam hij tot de overtuiging dat zijn uitgangspunt onjuist was geweest; de kleine boer moest juist worden gekoesterd.

Henneke Brink is Mfn-registermediator, buurtbemiddelaar, jurist en redactielid van dit tijdschrift