aeo tien jarig jubileum

Valt er iets te vieren?

Tien jaar geleden werden de eerste AEO-certificaten afgegeven. Zeven jaar daarvoor vonden de aanslagen plaats op het World Trade Center in new York en het Pentagon. Het waren de Amerikanen die erin slaagden vrij snel te reageren op de gebeurtenissen. C-TPAT (Customs-Trade Pact against Terrorism) werd al in november 2001 van kracht. De Europese Unie kwam wat trager uit de startblokken. De eerste mededelingen die een kiemcel bevatten voor de latere AEO verschenen in 2003. De allereerste mededeling betrof de ontwikkeling naar elektronisch aangifte doen en de daarmee verbonden mogelijke vereenvoudigingen. Een tweede deel betrof het veiligheidsbeleid. Elementen van beide mededelingen zijn uiteindelijk in het ontwerp voor de Europese AEO terecht gekomen. De zogenaamde veiligheidsverordening 648/2005 was de voorloper van het huidige DWU. De verordening werd verwerkt in het toenmalige CDW en de uitgangspunten vormen ook nu dus nog een hoeksteen van het DWU.

Het uitgangspunt “voor wat hoort wat” ligt ten grondslag aan het uiteindelijke AEO-concept. Dit uitgangspunt leidt tegelijkertijd tot hoge verwachtingen bij bedrijven. Hoewel dit nooit de bedoeling van de wetgever is geweest, wordt AEO toch vaak gezien als een business-case. Voor ondernemers is immers van belang dat er een zekere “return on investment” geldt. De kosten voor de aanvraag van een AEO-vergunning zijn vaak aanzienlijk en Nederlandse ondernemers willen deze kosten er veelal “uit halen”. In de beginperiode van het AEO-programma heeft de Nederlandse Douane het programma vooraf gepromoot. Doordat de Douane de nadruk legde op de voordelen en minder op de kosten en een goede implementatie is –met de kennis van nu – een onjuiste indruk gewekt. Bij de herbeoordeling van vergunningen, zoals die momenteel plaatsvindt, worden bedrijven wreed teruggebracht tot de realiteit.


Het uitgangspunt “voor wat hoort wat” ligt ten grondslag aan het uiteindelijke AEO-concept

Tegenover de investeringen, nodig voor het behalen van deze status, staan inderdaad een aantal voordelen. Zonder compleet te zijn gaat het dan om voordelen als:

  • Minder frequente controles;
  • Bij controles voorrang krijgen ten opzichte van goederen bestemd voor of afkomstig van een niet-AEO onderneming;
  • Gebruik kunnen maken van een gereduceerde set van gegevens alsmede;
  • Het krijgen van een melding indien een controle wordt ingesteld.

In het DWU is hier nog de vermindering van de borgstelling aan toegevoegd. In Nederland was dit voordeel na overleg tussen overheid en bedrijfslevenorganisaties al eerder gerealiseerd.


In Nederland is dit laatste voordeel tegelijkertijd het meest tastbaar omdat het direct op geld waardeerbaar is. Het stellen van zekerheid betekent in veel gevallen “dood geld” dat niet kan bijdragen aan het behalen van de ondernemingsdoelstellingen.


Hoewel de Nederlandse Douane bereid is inzicht te verschaffen in de aantallen niet uitgevoerde controles, blijft dit cijfer toch vooral theoretisch van aard. Wijziging in goederenpakket of volume dan wel stringentere risicoprofielen kunnen leiden tot meer in plaats van minder controles. Soms is de Douane ook niet in staat de maximale vermindering te realiseren omdat EORI-nummers binnen de leveringsketen niet alle bekend zijn. Voor ketenpartners die hun douaneproces hebben uitbesteed, is dit veelal een zwart gat. Het gebruik van een gereduceerde gegevensset gaat een beetje in tegen de trend in de toezichtvisie van de Nederlandse Douane en de conclusies van het Europese onderzoeksprogramma CORE. Hierin wordt gesuggereerd dat de verdergaande vereenvoudiging uitsluitend kan worden gerealiseerd met vrijwillig verstrekte extra gegevens en zeker niet met minder. Veelal beschikken partijen ook over data en het weglaten hiervan in een aangifte levert maar weinig (of geen) voordelen op.


mr. Godfried Smit

Senior projectleider Internationaal

Godfried Smit studeerde Nederlands en fiscaal recht in Rotterdam. Hij werkte tussen 1985 en 2000 bij de Belastingdienst douane in verschillende functies. Vanaf 2000 was Godfried werkzaam bij EVO als Beleidsadviseur Internationale Handel. Sinds 2012 vertegenwoordigt hij EVO bij de Europese Verladers Organisatie (European Shippers’ Council). In dit kader is hij lid van de Trade Contact Group, het overleg platform tussen Europese Commissie en Europese bedrijfsleven. Hij werkt momenteel mee aan een commentaar op het Douanewetboek van de Unie (CDW) voor Mendel Verlag.