Camus’ Vreemdeling vs O.J. Simpson

Verhaal, conflict en gerechtigheid

Het recht en het verhaal zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Dit uit zich onder meer in rechtszaken. Aan de hand van het fictieve proces tegen Meursault uit De vreemdeling van Albert Camus en het strafproces tegen O.J. Simpson, onderzoekt Claudia Bouteligier de werking van het verhaal in het recht en de relatie daarvan tot gerechtigheid.

essay

Door Claudia Bouteligier
Foto’s O.J.: Sam Mircovich/AP

In de interdisciplinaire cursus recht en literatuur (onder andere bij de Universiteit Leiden en SSR) is de rol van het verhaal in het recht een belangrijk thema. Het zogenoemde ‘narratieve karakter’ van het recht uit zich onder meer in rechtszaken. Partijen dragen hun versie van het gebeurde in de vorm van een verhaal voor aan de rechter, die op zijn beurt een verhaal construeert in zijn vonnis. De rechter formuleert dit verhaal op basis van waarschijnlijkheid en aannemelijkheid, hij was er immers zelf niet bij.1 De feiten moeten worden gegroepeerd in een logisch verhaal met een kop en een staart, waarin (bepaalde) gebeurtenissen betekenis verkrijgen in een groter geheel. Door middel van het verhaal kan worden begrepen wat er is gebeurd – en waarom. De vraag is echter of dergelijke narratieve constructies moeten worden beschouwd als waarheidsgetrouwe weergaven van het verleden en wat dat betekent voor de betrokken personen.


Aan de hand van twee ogenschijnlijk zeer verschillende rechtszaken, het fictieve proces tegen Meursault uit De vreemdeling (1942) van de Frans-Algerijnse schrijver Albert Camus (1913-1960) en het strafproces tegen O.J. Simpson (1947) uit 1995, beproef ik in dit korte essay de werking van het verhaal in het recht en de relatie daarvan tot gerechtigheid.2 Hoewel in deze zaken een jury over de schuldvraag beslist en niet een rechter, neemt dit niet weg dat de grote rol van verhalen eveneens geldt voor rechterlijke oordeelsvorming.3

‘Het was de zon’

De vreemdeling is het relaas van Meursault. Het bestaat uit twee delen. Het eerste deel gaat over de gebeurtenissen zoals ze op dat moment daadwerkelijk plaatsvinden, tot het moment dat Meursault een man doodt. In het tweede deel worden de gebeurtenissen achteraf in narratieve vorm gepresenteerd in de rechtszaal gedurende het proces tegen Meursault.

Meursault opent zijn relaas als volgt: ‘Vandaag is moeder gestorven. Of misschien gisteren, ik weet het niet. Ik ontving een telegram uit het gesticht: “Moeder overleden. Morgen begrafenis. Met leedwezen.” Daar is niets uit op te maken. Misschien was het gisteren.’ Hij weet niet wanneer zijn moeder precies overleden is, maar dat lijkt hem niet te interesseren. Meursault toont geen enkele emotie, terwijl het een jaar geleden is dat hij haar voor het laatst heeft gezien.

Vanaf het begin schuilt er voor de lezer iets vreemds en ongemakkelijks in dit alles. Meursault reciteert in telegramstijl en dat kenmerkt het eerste deel: hij vertelt puntig en sober. Hij komt onverschillig en misschien zelfs gevoelloos over. In plaats van gevoelens van verdriet of rouw geeft Meursault de dood van zijn moeder op zakelijke wijze weer. Bij de begrafenis huilt hij niet. Hij is voornamelijk bezig met de hitte die hem beklemt en met wat er om hem heen gebeurt.

Eenmaal thuis pakt Meursault zijn leven schijnbaar moeiteloos weer op: ‘Ik dacht dat er in elk geval weer een zondag opzat, dat moeder nu begraven was, dat ik weer aan het werk zou gaan en dat er, alles bij elkaar genomen, niets was veranderd.’ Een dag na de begrafenis komt Meursault in het zwembad Marie Cordona tegen, een vrouw waar hij eerder verliefd op was. Hij neemt Marie die avond mee naar een komische film en al snel krijgen zij een relatie.

Kort daarna gaat Meursault met zijn buurman Raymond op bezoek bij diens vrienden. Bij een strandwandeling treffen zij een man waar Raymond ruzie mee heeft en die hem sindsdien achtervolgt. Er ontstaat een handgemeen tussen Raymond en de man. Het lijkt met een sisser af te lopen en zij keren terug naar het strandhuis. Wanneer Meursault even later aan de hitte van de zon tracht te ontsnappen en verkoeling hoopt te vinden op het strand, loopt hij de betreffende man wederom tegen het lijf. Bij toeval heeft Meursault het pistool van Raymond bij zich. De twee mannen staan tegenover elkaar en kijken elkaar aan. Als Meursault (zonder zelf te weten waarom) een stap naar voren doet, trekt de man zijn mes. Het lemmet verblindt Meursault. De zon vertroebelt zijn zicht en het zweet uit zijn wenkbrauwen bedekt zijn ogen met een ‘lauwe dichte sluier’ van tranen en zout. Het wordt Meursault teveel, heel zijn wezen trekt samen en zijn hand houdt het pistool krampachtig vast. Het duizelt hem en hij schiet op de man. Daarna schiet hij nog vier keer op het lichaam, dat na het eerste schot al niet meer bewoog.

Met deze krachtige scène besluit Camus het eerste deel van De vreemdeling. Het tweede deel vangt aan met ondervragingen van Meursault door zijn advocaat en de onderzoeksrechter. Beiden lijken welwillend en zeggen Meursault dat ze hem proberen te begrijpen, maar dat hij hen dan wel het hele verhaal moet vertellen. Meursault bekent direct dat hij de man heeft gedood en geeft de gebeurtenissen eerlijk weer: ‘Raymond, het strand, zwemmen, de twist, weer het strand, de kleine bron, de zon en de vijf revolverschoten.’

Het lijkt een duidelijke, ongecompliceerde zaak. Dat maakt het extra opvallend dat Meursault meerdere keren wordt ondervraagd. Het is bovenal merkwaardig dat veruit de meeste vragen geen enkele betrekking hebben op het door hem begane misdrijf: zij zijn vooral gericht op het karakter van Meursault. Volgens de advocaat is het onderzoek voornamelijk gericht op de omstandig­heden rond het overlijden van Meursaults moeder, omdat de openbare aanklager heeft vernomen dat Meursault ‘blijk had gegeven van ongevoeligheid’ daaromtrent.

Gedurende de ondervragingen geeft Meursault geen motief of verklaring waarom hij de man doodde en nadien nog vier kogels op het lijk afvuurde. Wanneer hij terugdenkt aan dat moment voelt hij alleen de brandende zon. De zon is de enige reden die hij aan kan voeren. Het was toeval, hij had geen enkele intentie de man te doden. Voor de advocaat en de onderzoeksrechter is dat niet voldoende en hun welwillendheid verdwijnt snel, maar Meursault antwoordt eerlijk en zonder omhaal. Hij weigert een verhaal te vertellen dat zijn misdaad begrijpelijk zou maken.

Ook in het proces staat de persoon van Meursault en het overlijden van zijn moeder veeleer centraal. De officier van justitie schetst een geloofwaardig, psychologisch portret. Volgens zijn verhaal heeft Meursault geen ziel en is hij een zedeloos monster. Dat blijkt volgens de officier bijvoorbeeld uit het feit dat Meursault de dag na de begrafenis van zijn moeder een ‘maîtresse’ heeft opgedaan. De repliek van de officier vat de gang van zaken in het proces helder samen: ‘Ik beschuldig deze man een moeder te hebben begraven met het hart van een misdadiger.’ Deze woorden hebben een enorme uitwerking op de jury en het publiek. Zijn verhaal slaat aan. De officier eist de doodstraf.

Meursault ziet als toeschouwer alles aan:
‘[i]k kan zeggen dat er gedurende het betoog van de officier van justitie en het pleidooi van mijn advocaat veel over mij gesproken is en misschien meer over mijzelf dan over mijn misdaad.’ De zaak lijkt volkomen buiten hem om te worden behandeld: hij is aanwezig, maar wordt eigenlijk als het ware bij verstek veroordeeld. Het hof en de jury trekken zich terug. De uitspraak volgt snel: de jury acht Meursault schuldig aan moord. Hij zal worden onthoofd op een plein, in naam van het Franse volk.


In De vreemdeling komt het probleem van het narratief begrijpen helder naar voren. Als Meursault zou hebben gesteld dat hij ontoerekeningsvatbaar was omdat zijn moeder net overleden is, dan had hij waarschijnlijk op meer sympathie kunnen rekenen van de juridische actoren: dan waren hijzelf en zijn daad (in zekere mate) begrijpelijk geweest. Meursault is letterlijk een vreemdeling die zich niet conformeert aan wat de samenleving van hem verlangt; hij heeft zich niet gedragen zoals dat naar algemene maatstaven behoort en daarom wordt hij ter dood veroordeeld. Het is de nadruk op de persoon van Meursault waardoor onrecht gedaan wordt, omdat de constructie van zijn ‘persoon’ centraal staat.

De vreemdeling laat zien dat het recht weinig kan met toeval of onwaarschijnlijkheden; daar kan geen logisch verhaal van worden geconstrueerd. Verhalen dienen voor het recht ondubbelzinnig, herleidbaar en vooral logisch te zijn. Causaliteit is belangrijk. Een goed verteld verhaal kan het verschil maken tussen schuld en onschuld, tussen recht of onrecht. Dat komt ook helder naar voren in het strafproces tegen Simpson.


In De vreemdeling komt het probleem van het narratief begrijpen helder naar voren

But I’m not black. I’m O.J.

Simpson werd verdacht van de dubbele moord op zijn ex-vrouw Nicole Brown en haar vriend Ron Goldman.4 De lichamen van Brown en Goldman werden op 12 juni 1994 aangetroffen bij het huis van Brown. Zij waren ernstig toegetakeld: Brown was zo vaak in haar nek gestoken dat die bijna doorgesneden was. Van de lichamen liep een bloedspoor naar de stoeprand, waar de dader vermoedelijk in zijn auto was gestapt.

Het bewijs wees al snel in de richting van Simpson. Gedurende hun huwelijk mishandelde hij zijn vrouw en er zijn meerdere opnamen van het feit dat zij in doodsangst het alarmnummer belde. Simpson had meerdere malen gedreigd haar te vermoorden. Daarnaast werd in de auto van Simpson bloed aangetroffen van hemzelf, Brown en Goldman. Het meest bekende bewijsstuk is echter de handschoen. Op het plaats delict werd een bebloede handschoen gevonden en op het terrein van Simpson werd de andere handschoen aangetroffen – eveneens bebloed. DNA-tests wezen uit dat de bloedsporen afkomstig waren van Simpson, Brown en Goldman. Er werd een arrestatiebevel uitgevaardigd, maar Simpson vluchtte. De urenlange achtervolging werd rechtstreeks uitgezonden op de Amerikaanse televisie.

Het proces, dat uiteindelijk 133 dagen duurde, werd een mediaspektakel en was het gesprek van de dag. Dit kwam niet alleen voort uit het feit dat de verdachte een geliefde beroemdheid was; het proces legde ook raciale spanningen bloot in de Amerikaanse samenleving. Twee jaar eerder was Rodney King, een zwarte taxichauffeur, aangehouden wegens gevaarlijk rijgedrag. King werd hardhandig gearresteerd en mishandeld door agenten van het Los Angeles Police Department (LAPD), dat al jaren bekend stond om racisme. De agenten stonden terecht voor buitensporig geweldgebruik, maar werden vrijgesproken door een voornamelijk witte jury. Dat bevestigde nog eens de rassenongelijkheid in het Amerikaanse rechtssysteem en deze uitspraak leidde (mede) tot de grote rassenrellen in Los Angeles in 1992, waar meer dan vijftig mensen omkwamen.

Het advocatenteam van Simpson, onder leiding van Johnnie Cochran, gebruikte deze maatschappelijke spanningen om de aandacht te verleggen van het misdrijf naar de ongelijkheid in het rechtssysteem, het probleem van rassendiscriminatie en het politiegeweld tegen zwarte Amerikanen. Simpson werd als persoon op zorgvuldige wijze neergezet als zwart rolmodel en als slachtoffer van discriminatie. De advocaten vertelden in feite het verhaal van zwarte Amerikanen die niet worden erkend en maakten Simpson een symbool van dit onrecht. Dit wringt, omdat Simpson zich eerder nooit uit liet over de rassenongelijkheid en zich niet betrokken wist bij de strijd voor gelijke behandeling: ‘But I’m not black. I’m O.J.’ Toen de juryleden het huis van Simpson bezochten, zorgde Cochran ervoor dat het verhaal over Simpson nog eens werd onderstreept. Er werd Afrikaanse kunst neergezet en de foto’s van Simpson met zijn witte vrienden werden vervangen door foto’s van hem met zijn familie en zwarte burgerrechtenactivisten.

Het meest beroemde moment in het proces was het passen van een van de bebloede handschoenen door Simpson. Het was welhaast een theatraal moment, Simpson nam de tijd om de jury te laten zien dat de handschoen niet paste.5 Er wordt bediscussieerd of de handschoen niet paste doordat Simpson zijn medicatie voor artritis niet had ingenomen, waardoor zijn handen opgezwollen waren, of dat de handschoen gekrompen was door het bloed en de testen die erop waren uitgevoerd. Hoe dan ook: dit was van grote invloed op de uitspraak. ‘If it doesn’t fit, you must acquit’, zo benadrukte Cochran in zijn slotpleidooi.


In tegenstelling tot Meursault liet Simpson zichzelf buitengewoon goed vertellen – de rol paste hem als een handschoen. De (overwegend zwarte) juryleden begrepen en herkenden zijn verhaal. Na vier uur kwam de jury unaniem tot de beslissing dat Simpson moest worden vrijgesproken.6

Simpson werd als persoon op zorgvuldige wijze neergezet als zwart rolmodel en als slachtoffer van discriminatie

Tot slot

Als het gaat om de werking van het verhaal in het recht komt in beide zaken naar voren dat het – al dan niet gepleegde – misdrijf naar de achtergrond verdwijnt. De nadruk ligt op narratieve constructie van de persoon van de verdachte en het vertellen van een aansprekend verhaal om tot een gewenste uitkomst te geraken. Deze verhalen doen echter geen recht aan wat gebeurd is en lijken zeker in het geval van Meursault niet tot gerechtigheid te leiden.

De vreemdeling laat zien dat het recht weinig kan met toeval, onwaarschijnlijkheden en absurditeit – terwijl deze inherent zijn aan het leven en het menselijk bestaan. Verhalen geven de werkelijkheid op een achteraf geconstrueerde wijze weer. Als er geen sluitend verhaal kan worden verteld en men zich niet kan herkennen in de ander over wie geoordeeld moet worden (of diegene tenminste kan begrijpen), wordt het vormen van een oordeel bemoeilijkt. Om een aansprekend verhaal te construeren is dus herkenning en identificatie vereist. Dat was precies waar de advocaten van Simpson op inzetten.


Er speelden andere motieven mee dan het beantwoorden van de vraag of Simpson op basis van het bewijs wel of niet schuldig bevonden moest worden aan de dubbele moord: het onrecht tegen zwarte Amerikanen, concreet belichaamd in de zaak King, moest worden vergolden. Meursault wordt afgerekend op het verhaal over zijn kille, zedeloze persoonlijkheid. Daarnaast lijkt het recht in beide zaken instrumenteel te worden ingezet. Meursault wordt in naam van het Franse volk afgerekend op zijn non-conformiteit; het verhaal van Simpson versterkt het conflict en de verdeeldheid in de Verenigde Staten. Zo beschouwd worden conflicten niet opgelost, maar veeleer bestendigd.

De vraag die wellicht rijst, is wat een oplossing of alternatief zou kunnen zijn. Deze kunnen echter niet zonder meer worden geformuleerd in dit essay. In mijn proefschrift stel ik een alternatieve benadering voor: de ontmoeting vanuit dialogisch perspectief. Voor dit essay voert een bespreking daarvan te ver, hier stond de werking van het verhaal in het recht centraal.

Verhalen zijn inherent verbonden met het menselijk bestaan. Door middel van verhalen tracht de mens zichzelf, het leven en de ander te begrijpen of te duiden – en dat is in de rechtspleging eveneens niet uit te sluiten. Met betrekking tot gerechtigheid is het erkennen van de grote invloed van verhalen van belang; om te trachten de ander niet te vangen in een sluitende constructie of mee te gaan met het meest aansprekende verhaal. Verhalen bieden niet als vanzelfsprekend een waarheidsgetrouwe weergave van de realiteit uit het verleden. Het is belangrijk om een kritische houding aan te nemen ten aanzien van (de waarheidswaarde van) verhalen in de rechtszaal, zoals de processen van Meursault en Simpson duidelijk maken.


In dit essay heb ik het belang van aandacht voor de werking van het verhaal willen benadrukken. Het kan worden gelezen als een oproep tot een bepaalde bewustwording en tot bescheidenheid ten aanzien van het verhaal. Het gaat om het besef dat we kritisch en misschien zelfs terughoudend om dienen te gaan met verhalen als het gaat om het doen van recht.

Noten

  1. In artikel 338 Sv is opgenomen dat de rechter op basis van wettige bewijsmiddelen en het onderzoek ter terechtzitting de overtuiging dient te bekomen dat het tenlastegelegde bewezen kan worden verklaard. Het is echter, zowel in de theorie als in de praktijk, niet duidelijk wat onder deze rechterlijke overtuiging moet worden verstaan. Cleiren formuleert dit treffend: ‘Uit dit overzicht blijkt dat er geen eenduidigheid bestaat in de opvattingen over de functie en de inhoud van de rechterlijke overtuiging. (…) Men spreekt meer in termen van een maatstaf en van een graad van waarschijnlijkheid, een tendens waarmee wordt aangesloten op de in common law-stelsels gehanteerde maatstaf ‘beyond reasonable doubt’. C.P.M. Cleiren, ‘De rechterlijke overtuiging. Een sprong met hindernissen’, THEMIS 2010-5/6, p. 259-267, op p. 261.
  2. Albert Camus, De vreemdeling, Amsterdam: De Bezige Bij 1961.
  3. In het rechterlijk oordeel bevindt zich eveneens onvermijdelijk een bepaalde mate van subjectiviteit. Hoewel rechters professioneel geschoold zijn en juryleden (over het algemeen) niet, kan op basis daarvan niet als vanzelfsprekend worden gesteld dat juryleden eerder beïnvloedbaar, dan wel subjectiever zouden zijn. Deze discussie valt verder buiten het bereik van dit essay.
  4. In 2016 verscheen een vijfdelige documentaire omtrent dit proces: O.J.: Made in America, waarin regisseur Ezra Edelman aan de hand van interviews, nieuwsuitzendingen en archiefbeelden de opkomst en ondergang van Simpson weergeeft in relatie tot de raciale spanningen en rassenongelijkheid in het rechtssysteem in de Verenigde Staten. Zie ook het artikel uit 2016 van Vera Mulder voor De Correspondent: ‘Hoe O.J. Simpson zwart werd gemaakt door zijn eigen verdediging (en dat nog goed uitpakte ook)’.
  5. Te bekijken op YouTube, zoek op O.J. Simpson infamously trying on gloves at trial.
  6. Hoewel Simpson later in een civiele zaak, aangespannen door de vader van Goldman, veroordeeld werd tot 33 jaar gevangenisstraf. Inmiddels is Simpson wegens goed gedrag vervroegd vrijgelaten.

Claudia Bouteligier is verbonden aan de faculteit der rechtsgeleerdheid van de Universiteit Leiden en is medeoprichter en organisator van het platform Recht en Literatuur (rechtenliteratuur.nl). Dit artikel is gebaseerd op (thema’s uit) haar proefschrift Dialoog in recht en literatuur. Een kritiek van de narratieve rede.